Scope 0

door: Hans van Cleef

De afgelopen weken is er veel gesproken over wie verantwoordelijk is voor welke CO2-uitstoot. Bij de Shell-klimaatzaak werd Shell door de rechter gesommeerd om de CO2-uitstoot met 45% te verlagen. Dit geldt voor scope 1, 2 én 3. Scope 1 is de CO2-uitstoot die een bedrijf zelf veroorzaakt tijdens het productieproces of die bij de rest van de bedrijfsvoering vrijkomt. Scope 2 heeft betrekking op de emissies van het energieverbruik door het bedrijf. Aangekochte goederen en/of diensten van bijvoorbeeld toeleveranciers. Dat zijn die bedrijven die de grondstoffen leveren, de energiebedrijven waar de elektriciteit of andere energie wordt ingekocht. Tot slot scope 3. Dat zijn emissies van bronnen die niet in eigendom zijn en niet onder directe controle vallen, maar wel gerelateerd zijn aan de activiteiten van het rapporterende bedrijf. Kort door de bocht: De overige uitstoot – of indirecte emissies – van de waardeketen van deze bedrijven en de uitstoot die wordt gegenereerd met de producten van deze bedrijven. Ook uitbestede activiteiten vallen hieronder. Voor de meeste bedrijven geldt dat scope 3 goed is voor verreweg het grootste deel van de CO2-uitstoot.

“Onderscheid maken bij het toepassen van de 45% doelstelling”

Voor een gemiddeld bedrijf is het goed mogelijk om aan de eigen CO2-uitstoot te werken. Door investeringen in nieuwe technologie, en aanpassing van productieprocessen kan de CO2-uitstoot worden verlaagd. Voor scope 2 en 3 is dat al een stuk lastiger. Een bedrijf kan haar toeleveranciers vragen om te verduurzamen, en desnoods van leverancier veranderen. Maar veel meer dan dat blijft moeilijk. Hetzelfde geldt voor de eindconsument. Je kan ze proberen te verleiden om een ander product te gebruiken, maar over het algemeen kiest de gemiddelde klant voor comfort en prijs. Dus zolang het alternatief niet meer comfort of een lagere prijs biedt, zal de klant niet snel veranderen en het product bij de concurrent afnemen. Ook met dit fenomeen hield de rechter rekening. Voor scope 2 en 3 geldt in het geval van de Shell-rechtszaak een ‘zwaarwegende inspanningsverplichting’. Wat dit in de praktijk precies in zal houden, is nog onbekend.

45% CO2-reductie is niet niets. Bij mij thuis zou het voor 2030 wel lukken. Door te zorgen voor een goed geïsoleerde woning – met vloer, spouwmuur- en dakisolatie en met goed isolerend dubbel of trippel glas in de kozijnen en de aanschaf van zonnepanelen (eventueel in combinatie met een thuisbatterij) verlaag je je CO2-uitstoot aanzienlijk. Het vergt een flinke investering waarbij de bedragen schommelen tussen enkele tientjes (voor een tochtstripje) tot tienduizenden euro’s, afhankelijk van het type woning dat je bezit. En hoewel aannemersbedrijven het momenteel gierend druk hebben, zou zo’n verbouwing voor 2030 nog wel moeten lukken. Voor de grote CO2-uitstoters ligt het vaak een stuk lastiger. En dan is het nog maar de vraag of alle bedrijven dezelfde doelstellingen moeten krijgen. Het zijn immers reductieniveaus die voor de wereld als geheel gelden. Dat sommige bedrijven een snellere reductie kunnen laten zien dan anderen is, net als bij landen, reden om onderscheid te maken en de 45% te zien als een gemiddelde.

“Bij grote industriële processen is 2030 niet morgen, maar vanmiddag”

Naast de eerder genoemde concurrentiepositie zijn het vaak de technologische mogelijkheden, de kosten én tijdsdruk die het voor grote bedrijven moeilijk maken om snel te schakelen. Een bekend gezegde is dat de kosten voor de baten uitgaan. Maar dan moet er natuurlijk wel zicht zijn op zulke baten. Zonder goed businessplan geen investeringen. Investeren in technologische ontwikkeling en innovatie gebeurt wel op grote schaal. Bijna dagelijks staan er in de krant nieuwe proefprojecten. Denk bijvoorbeeld aan projecten op het gebied van waterstof, geothermie, CCS, et cetera. Toch zullen zulke nieuwe technologieën pas opgeschaald kunnen worden op het moment dat zij economisch uitkunnen. Gelukkig stelt de overheid ruimhartig subsidies ter beschikking ten behoeve van innovatie en om de zogenoemde onrendabele top af te dekken. De tijdsdruk is een ander aspect. Bij grote industriële processen is 2030 niet morgen, maar al vanmiddag. Vaak gaan dit soort veranderingen gepaard met investeringen in de infrastructuur en ook de bouw van bijvoorbeeld een windpark duurt nu eenmaal 6-8 jaar. En naast de tijd die de fysieke bouw kost, gaat er veel tijd ‘verloren’ met het overleg rondom de besluitvorming en het vinden van het nodige draagvlak.

“De overheid moet een cruciale rol spelen”

Zonder de juiste uitgangspunten begin je als bedrijf niet zoveel. Ik noem dit ‘scope 0’. Bedrijven kunnen prima hun eigen uitstoot aanpakken op het moment dat zij kunnen vertrouwen op de juiste wet- en regelgeving en passende infrastructuur. In het recente ‘Net zero by 2050’ rapport van het Internationaal Energieagentschap (IEA) wijst de organisatie op de belangrijke rol die overheden spelen in het kunnen halen van de doelstellingen. Volgens het IEA geldt dat “in ALLE landen de overheid een cruciale rol moet spelen in de planning, financiering en regelgeving ten opzichte van de benodigde ontwikkelingen van de infrastructuur.”

Ook het op de markt brengen van nieuwe energietechnologieën kan vaak verschillende decennia duren, maar de noodzaak om tegen 2050 wereldwijd netto geen emissies meer te hebben, betekent dat de vooruitgang veel sneller moet gaan. Het IEA: “De ervaring heeft geleerd dat de rol van de overheid cruciaal is bij het verkorten van de tijd die nodig is om nieuwe technologie op de markt te brengen en op grote schaal te verspreiden (IEA, 2020i). De rol van de overheid omvat het opleiden van mensen, het financieren van R&D, het aanbieden van netwerken voor kennisuitwisseling, bescherming van intellectueel eigendom, gebruik van overheidsopdrachten om de versnelling te stimuleren, het helpen innoveren van bedrijven, het investeren in faciliterende infrastructuur en het regelgevingskader voor markten en financiering.”

Samenwerking blijft dus het cruciale woord. Het is makkelijk om te roepen dat ‘de vervuiler moet betalen en moet worden aangepakt’. De praktijk is weerbarstiger. Je kunt een roeier niet vragen om sneller te varen op het moment dat de boot ontbreekt of dwars ligt. Naast de focus op scope 1, 2 en 3 zou scope 0 daarom minimaal net zoveel aandacht moeten krijgen.