De week van de arbeidsmarkt, productiviteit, investeringen en lonen

door: Sandra Phlippen , Piet Rietman , Jan-Paul van de Kerke , Nora Neuteboom

  • Nederlandse vrouwen laten zich tijdens de crisis minder vaak ontmoedigen dan mannen
  • Sterke afname in het aantal gewerkte uren leidt niet per definitie tot productiviteitswinsten
  • Lonen blijven op peil
  • Investeringen eerder dan verwacht op precorona niveau
170624-NL-Weekly-De-week-van-de-arbeidsmarkt-productiviteit-investeringen-en-lonen.pdf (235 KB)
Download

Nederlandse vrouwen laten zich tijdens de crisis minder vaak ontmoedigen op de arbeidsmarkt

Recent lieten twee grootschalige onderzoeken in Duitsland en Frankrijk zien dat tijdens de lockdown, mannen en vrouwen (vooral in gezinnen met jonge kinderen) fors conservatiever zijn gaan denken over de rol van mannen en vrouwen in de verdeling van taken thuis en op het werk. Hoewel wij in Nederland zulk gedetailleerde studies naar attitudes nog niet zijn tegengekomen, laten de CBS-statistieken op het eerste gezicht wel een hoopgevende boodschap zien voor de emancipatie op de werkvloer tijdens Corona.

CBS onderscheidt twee redenen waarom mensen niet langer beschikbaar noch actief zoekend zijn op de arbeidsmarkt. De eerste reden is ontmoediging: ‘voor mij is er geen werk meer’ is dan het argument om zich terug te trekken van de arbeidsmarkt en daarmee uit de werkloosheidsstatistieken te verdwijnen. Het percentage mannen dat ontmoedigd raakte tijdens de crisis is opgelopen van 12 % van de niet actieve beroepsbevolking vlak voor de crisis, tot 22% in het eerste kwartaal van 2021. Voor vrouwen is dit percentage toegenomen van 14,5 naar 21% van de niet actieve beroepsbevolking.

Het lijkt erop dat ‘andere dan werk gerelateerde redenen’ ofwel privéredenen zoals de zorg voor kinderen, mantelzorg, opleiding of vroegpensioen voor zowel mannen als vrouwen sinds de crisis in mindere mate een reden vormen om te stoppen met zoeken naar werk. Om met zekerheid te kunnen zeggen of de opkomst van conservatieve rolpatronen zich bij Nederlandse mannen en vrouwen minder of niet voordoen, zal meer onderzoek moeten worden gedaan naar de exacte redenen voor stoppen met zoeken naar werk. (Sandra Phlippen)

Afname in gewerkte uren betekent niet per definitie een stijging in de productiviteit

Het aantal gemiddelde gewerkte uren is, sinds de coronacrisis, sterk afgenomen. In het 4e kwartaal van 2019 werd er nog 3491 miljoen uur gewerkt in Nederland, in het eerste kwartaal van dit jaar was dat 3315 miljoen uur, een afname van ruim 5 procent. De bruto toegevoegde waarde in de gehele economie (basisprijzen) is daarentegen met slechts 3,2 procent gedaald in dezelfde periode. Dat kan een indicatie zijn dat werknemers, per gewerkt uur, productiever zijn geworden.

Of deze productiviteitswinst blijvend is hangt af van hoe deze productiviteitswinst tot stand is gekomen. Ten eerste kunnen productiviteitswinsten tijdelijk zijn. Over het algemeen zijn werknemers best bereid om tijdens periodes van crisis harder te werken, of hetzelfde werk te doen in minder uur. Maar deze tijdelijke productiviteitswinst is niet  houdbaar op de lange termijn.

Structurele verhogingen van de productiviteit kunnen voortkomen uit slimme kapitaalinvesteringen in technologie. Een voorbeeld daarvan is het werken met QR-codes in de horeca, of efficiënte bezorgapps, waardoor een ober of een bezorger in één handeling meerdere klanten kan bedienen. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat er permanent meer output kan worden geleverd met minder werknemers. Echter zijn de investeringen, sinds het tweede kwartaal van vorig jaar, gemiddeld met 4 procent gedaald. Alhoewel het natuurlijk kan dat de investeringen die wel zijn gedaan gemiddeld meer productiviteitswinsten hebben opgeleverd. We verwachten dat investeringen een fors herstel laten zien, dat zou een productiviteit in de toekomst ten goede kunnen komen. (Nora Neuteboom)

Genoeg loon om te consumeren

Deze week werd de CPB-juniraming gepubliceerd, met daarin een loonontwikkeling die doet denken aan het afgelopen decennium. Van 2021 tot en met 2025 zit de cao-loonprognose van het CPB tussen 1,7% en 2,0%, terwijl de inflatie tussen 1,8% en 2,0% beweegt. Dit is uitgaande van gelijkblijvend beleid; onze loonprognose is de komende jaren grofweg 0,3 procentpunt hoger omdat we uitgaan van een hoger minimumloon en een hervorming van de arbeidsmarkt. De totale netto loonontwikkeling (ook rekening houdend met incidentele loongroei en inkomstenbelasting) volgt waarschijnlijk dezelfde trend: bij gelijkblijvend beleid houden werknemers de inflatie bij, na ingrijpen gaan ze er iets op vooruit.

De afgelopen jaren was de loonontwikkeling weliswaar volatieler, maar het gemiddelde niveau is vergelijkbaar: genoeg om hetzelfde te blijven consumeren. Ook als we de loonontwikkeling afzetten tegen de aankomende bbp-groei of de huidige woningwaardestijging, zien we een terugkeer naar de pre-corona trend.

Allereerst het bbp dat harder groeit dan de loonontwikkeling. Dit betekent dat de arbeidsinkomensquote (AIQ) daalt. De AIQ geeft de verhouding weer tussen kapitaal en arbeid: bij een dalende AIQ krijgt de factor arbeid een steeds kleiner deel van de koek. Over een paar weken kan op basis van de Nationale Rekeningen 2020 het AIQ weer worden uitgerekend en zal waarschijnlijk een stijging te zien zijn. Dit is echter een outlier: in de coronacrisis stegen de lonen nog even door terwijl de winsten inzakten. Naar verwachting wordt in de komende jaren de dalende trend voortgezet.

Ook houdt de loonontwikkeling de woningwaardestijging niet bij. Dit is te zien in de deze week door het CBS gepubliceerde prijsontwikkeling van bestaande koopwoningen. Bestaande koopwoningen waren in mei 12,9 procent duurder dan een jaar eerder. De prijsontwikkeling van bestaande koopwoningen ligt al sinds 2014 boven de loonontwikkeling. Dit zorgt voor meer jongeren die noodgedwongen blijven huren, meer gentrificatie van buurten en meer ruimtelijke ongelijkheid tussen mensen die in de (hoofd)stad kunnen wonen en mensen die dat niet kunnen. (Piet Rietman)

Investeringen eerder dan verwacht op precorona niveau

Terwijl de Nederlandse economie in het eerste kwartaal van 2021 met ongeveer een half procent kromp ten opzichte van het vierde kwartaal van 2021 lieten de investeringen een groei zien van 3,7% (kwartaal-op-kwartaal). De krimp van de algehele economie was in grote mate toe te schrijven aan de nog geldende lockdown en de gevolgen daarvan op de consumptie. Uit de indrukwekkende groei van de investeringen kunnen we opmaken dat bedrijven zich minder aantrokken van de lockdown. Voor investeren is immers het toekomstperspectief het belangrijkst. We zien uit verschillende indicatoren dat dat perspectief zich gunstig ontwikkelt.

Met de groei in het eerste kwartaal is het niveau van investeringen al in het eerste kwartaal boven het precorona niveau gekomen. Dit in tegenstelling tot het herstel van de economie als geheel, daar verwachten we het niveau van voor corona pas in het derde kwartaal te bereiken. Wat verklaart dit vroege herstel?

Uit investeringsenquêtes gedurende 2020 bleek dat bedrijven in grote mate hun investeringsplannen uitstelden vanwege de grote onzekerheid over de duur en diepte van de crisis. Het lijkt er dus op dat een groot deel van de huidige investeringsgroei voortkomt uit het inhalen van uitgestelde investeringen nu ondernemers duidelijk wordt dat het einde van de pandemie in zicht is.

Ook wordt steeds meer duidelijk dat de pijn van de coronapandemie veelal in specifieke sectoren zit en minder wijdverspreid is over het gehele bedrijfsleven als eerder verondersteld. Dit betekent dat meer ondernemers de financiële ruimte hebben om hun originele plannen uit te voeren.

De vooruitzichten helpen zeker ook mee. De wereldhandel ontwikkelt zich positief en dat vertaalde zich in groei van de Nederlandse export in het 1e kwartaal. De toenemende buitenlandse vraag naar Nederlandse producten is goed nieuws voor de Nederlandse ondernemer. Omdat ook andere landen Nederland zullen volgen in het herstel zal deze export groei naar verwachting ook de komende kwartalen voortduren. Deze toenemende vraag is ook te zien in verschillende stemmingsindicatoren. Kijkend naar de deelindicatoren van het producentenvertrouwen dan zien wij dat de verwachte bedrijvigheid en het oordeel over de orderpositie ook in de eerste twee maanden van het tweede kwartaal blijven groeien. Dit terwijl de bezettingsgraad in bijvoorbeeld de industrie al weer bijna op het precorona niveau zit. Wanneer de capaciteit dreigt te gaan knellen terwijl de vraag verder toe gaat nemen lijkt dat een goed moment om te investeren.

Al met al verwachten wij dat de investeringen zich dit en volgend jaar positief zullen blijven ontwikkelen. We komen in onze ramingen uit op een investeringsgroei van 6.8% dit jaar en 2.3% volgend jaar. (Jan-Paul van de Kerke)