Hogere grondstofprijzen lokken nationalisme uit

door: Casper Burgering

De flink hogere grondstofprijzen dit jaar gaan voor meer zogenoemd resource nationalism van de grondstofrijke landen zorgen. In goed Nederlands heet dit grondstofnationalisme. De spurt in industriële metaalprijzen en de sterk gestegen olie- en graanprijzen dit jaar maken de bodemschatten voor deze landen immers een stuk waardevoller. Deze bodemschatten worden daarmee een bron voor de grondstofrijke landen met moeilijk te dichten gaten in de begroting.

Grondstofnationalisatie en grondstofprijzen

We hebben eerder hausses in grondstofprijzen meegemaakt. Zo bracht de economische opkomst van China vanaf 2002 een ware supercyclus in grondstofmarkten teweeg. De bijna niet te temmen Chinese vraag naar grondstoffen van destijds had een sterk prijsopdrijvend effect bij veel grondstoffen. Ook toen nam de tendens van grondstofnationalisme sterker toe.

Er bestaan verschillende gradaties in grondstofnationalisme: direct en indirect. Grondstofrijke landen kunnen kiezen voor quotumvereisten, herziening van bestaande mijnbouwcontracten, hogere regelgevingsvereisten en verhogingen van de belastingen of royalty’s op de grondstoffen. Dit zijn meer indirecte manieren van staatsinterventie. De directere manier heeft vaak wat grotere gevolgen.

Hierbij is volledige onteigening de meest rigoureuze manier. Dit heeft bijvoorbeeld veel in Venezuela plaatsgevonden in de oliesector en in de landbouw. Het grondstofnationalisme kan echter ook tot uiting komen door middel van striktere controles op of uitsluiting van buitenlandse deelnames. Daarnaast kan een overheid verplichte overheidsparticipatie en begunstiging opleggen of eisen stellen aan de verdere bewerking van de grondstoffen. Zo verbood de Indonesische regering in 2014 dat nikkelertsen het land niet mochten verlaten zonder dat daar een verdere bewerking op had plaatsgevonden. Het zorgde voor een sterke groei van het aantal nikkelsmelterijen en de hele basismetaalindustrie in Indonesië.

Ook nu staat de nationalisatiedrang in grondstofmarkten door sommige landen weer in de belangstelling. Het onderwerp prijkt in ieder geval hoog in de risicoranglijstjes van mijnbouwbedrijven. Dit brengt de marktdynamiek weer naar een hoger niveau.

Financiële verliezen

Het risico van grondstofnationalisme is vooral groot in Afrika, Latijns-Amerika, Centraal-Azië en Zuidoost-Azië. Daar is volgens het adviesbureau Verisk Maplecroft het aantal gevallen van grondstofnationalisme het afgelopen jaar sterk toegenomen. Het idee van een nieuwe supercyclus door hernieuwde sterke vraag vanuit China na Covid-19 en de mondiale versnelling in de energietransitie kunnen een opleving van grondstofnationalisme verder op de spits drijven.

Verisk Maplecroft denkt zelfs dat het ergste nog moet komen. Om de Covid-19 schok op te vangen moesten veel overheden diep in de buidel tasten om de economie op de been te houden. Dit heeft vervolgens geleidt tot een enorme schuldopbouw. De grondstofrijke landen willen de financiële verliezen van de pandemie op de één of andere manier compenseren. En daar past grondstofnationalisme bij. Want met allerlei indicaties van een nieuwe hausse in grondstofmarkten zullen overheden van grondstofrijke landen meer de regie nemen. Dan staat alleen de vraag nog open of het een dictaat of een discussie gaat worden.

Deze column heeft op 3 mei in de Financiele Telegraaf gestaan.