#Stembuzz – Energietransitie betekent keuzes maken

door: Hans van Cleef

In tegenstelling tot de vorige verkiezingen is het thema klimaat en energietransitie nu wel volop aanwezig bij de verkiezingscampagnes. Onderwerpen als kernenergie, biomassa, waterstof en de vraag waar de rekening van de transitie komt te liggen, staan inmiddels dagelijks in het nieuws. Maar in hoeverre valt er eigenlijk iets te kiezen bij deze landelijke verkiezingen? Immers, de doelstellingen voor de CO2-verlaging worden vastgesteld in Europa en het blijkt dat de daadwerkelijke realisatie voor een groot deel afhangt van lokaal draagvlak. Als Brussel de muziek schrijft, en de provinciale en gemeentelijke politiek de instrumenten bespeelt, welke rol speelt de nationale overheid dan eigenlijk?

Stembuzz-Energietransitie-betekent-keuzes-maken.pdf (201 KB)
Download

Deze publicatie is onderdeel van een serie van ABN AMRO over de verkiezingen. Hierin bespreken wij economisch relevante onderwerpen die in de partijprogramma’s, debatten en dergelijke de revue passeren. Overige publicaties uit deze serie zijn onderaan dit artikel te vinden.

De richting wordt bepaald in Brussel, de snelheid in Den Haag

Partijen kijken soms heel verschillend aan tegen de te volgen route naar de CO2-reductie doelstellingen. Op de PVV en FvD na, zijn alle partijen het erover eens dat de Europese doelstellingen gehaald moeten worden. PVV en FvD daarentegen willen überhaupt geen klimaatbeleid, geen sluiting van de kolencentrales, niet stoppen met de gasproductie in Groningen en hooguit meer inzetten op kernenergie.

Het Europese doel is een gezamenlijke CO2-reductie van 55% in 2030, als tussendoel richting de 100% CO2-reductie in 2050. Met andere woorden, de richting is reeds bepaald door de Europese Commissie. Dit doel is nog niet vertaald naar nationale doelen. Sommige partijen, zoals CDA en SGP, zetten in op de huidige verdeling onder Europese landen. Voor Nederland betekent dit ongeveer 52% reductie. Anderen (zoals VVD, D66, CU) willen dat ieder land minimaal de Europese doelstelling van 55% haalt. Tot slot wil GL de Nederlandse doelstelling met een reductie van 60% zelfs hoger zetten dan de Europese. Ook op het gebied van de energietransitie valt er dus wel degelijk iets te kiezen, namelijk gaan we – qua ambitie – net zo snel, sneller of langzamer dan het Europese gemiddelde? De richting is bepaald, de fine-tuning is aan ons.

Hierbij kan de nationale overheid door middel van drie methodes de energietransitie proberen te sturen: subsidies, belasting en wetgeving. Oftewel, aanmoedigen, ontmoedigen en verbieden. We noemen een paar voorbeelden. De afgelopen jaren ontstonden er veel subsidieregelingen voor duurzame energie (zoals voor zon- en windenergie, en het stimuleren van isoleren). Ook kwam er een hogere belasting op aardgas en juist een lagere belasting op elektriciteit. Tot slot werd een wet aangenomen die het gebruik van kolen verbiedt, waardoor de kolencentrales in 2030 gesloten moeten zijn.

Voor sommige sectoren heeft Europa wel de regie naar zich toegetrokken. Denk aan de verduurzaming van de industrie. De Europese Commissie heeft met de introductie van CO2-rechten een gereedschap ontwikkeld waarbij de industrie – waaronder ook de energiebedrijven vallen – moet verduurzamen. Doen zij dat niet, dan moeten zij emissierechten kopen voor iedere teveel uitgestoten ton CO2. Maar ook de mobiliteitssector kent striktere Europese regelgeving. Voor nieuwe auto’s gelden steeds strenger wordende uitstootnormen. Nederland hoeft zich dus in principe vooral te richten op de sectoren waar nog geen Europese regelgeving voor bestaat. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de landbouw, gebouwde omgeving en de dienstensector.

De technologie: wat wil je wel, en wat wil je niet?

Na het vaststellen van de nieuwe Nederlandse doelstelling begint het pas echt en komt de vertaling naar de praktijk. Daarbij maken politieke partijen keuzes in welke technologieën voor hen wel, en welke niet als wenselijk worden gezien. Wij noemen de vier die momenteel het meeste aandacht krijgen: windenergie, waterstof, kernenergie en biomassa. Hierbij is vooral van belang het moment wanneer een technologie daadwerkelijk tot verandering leidt. Je kan niet nu al een energiebron uitzetten terwijl het alternatief pas na 2030 beschikbaar komt. Het blijven garanderen van onze hoge mate van leveringszekerheid – beschikbaarheid van en toegankelijkheid tot energie (zowel elektriciteit als warmte) – is cruciaal.

Windenergie

Op het gebied van windenergie zijn de visies tussen de politieke partijen redelijk gelijk. Meer wind-op-zee (WOZ) vinden bijna alle partijen prima. D66 en GL willen zelfs naar 60 GW in 2030. Ter vergelijking: het huidige klimaatakkoord gaat uit van een ongekend snelle groei naar… 11,5 GW. Wind-op-land (WOL) zien de meeste partijen als onvermijdelijk, zeker voor de kortere termijn tot 2030. Maar draagvlak onder de bewoners, het liefst in combinatie met lokale participatie, is voor alle partijen daarbij wel cruciaal. Voor zowel WOZ als WOL zijn stevige investeringen nodig in de infrastructuur aangezien het huidige elektriciteitsnet al tegen de capaciteitsgrenzen aanloopt. Het versnellen van de bouw van windenergie ten opzichte van het huidige klimaatakkoord is dan ook om diverse redenen (niet alleen infrastructuur, maar bijvoorbeeld ook draagvlak) makkelijker gezegd dan gedaan.

Waterstof

Groene waterstof wordt door bijna iedere partij gezien als de oplossing voor veel toepassingen. Waterstof is een energiedrager dat een oplossing kan bieden voor toepassingen waarbij elektrificatie (elektronen) niet toereikend of te duur blijken en het gebruik van moleculen wenselijk zijn. Er is echter wel één probleem, en dat is dat groene waterstof tot op heden nog niet gemaakt wordt. De waterstof die nu wordt geproduceerd komt van aardgas (grijze waterstof). Om groene waterstof lokaal te maken is (veel) meer groene – lees vooral wind – energie nodig. Maar doordat we de kolencentrales sluiten, liever geen gas meer gebruiken voor de opwek van elektriciteit én sowieso steeds meer elektriciteit gaan gebruiken in andere sectoren, neemt de druk om meer elektriciteit op te wekken uit wind (en zon) toch al sterk toe. De politieke ambities op het gebied van groene waterstof lijken hier voorbij te streven aan de technisch uitvoerbaarheid én ruimtelijke inpassingsmogelijkheden.

Is groene waterstof dan niet kansrijk? Zeker wel! Maar het is goed om ons te realiseren dat er pas echt een significante rol is weggelegd na 2030, als de technologie verder is ontwikkeld, de kostprijs sterk is gedaald, en niet alleen het aanbod, maar ook de vraag echt op gang is gekomen. Dit alles vergt stevige investeringen in de komende jaren. Veel technologieën zijn echter nu nog te duur om die investeringen al te rechtvaardigen. En om deze onrendabele top weg te nemen zijn subsidies nodig. In dat opzicht is het zeker goed dat waterstof nu stevig op de agenda staat. Daarnaast is het verstandig om al aan de slag te gaan met blauwe waterstof. Dat is waterstof gemaakt uit aardgas, waarbij de CO2-uitstoot wordt opgevangen en opgeslagen. Hiermee kan ook de vraagzijde naar waterstof vast worden opgebouwd, zonder per se te moeten wachten op het aanbod van groene waterstof.

Kernenergie

Een andere technologie waarover veel wordt gesproken, maar die volgens ons tot 2030 slechts een marginale rol zal gaan spelen is kernenergie. Diverse partijen zijn voor meer kernenergie: VVD, CDA, SGP, PVV en FvD. D66 is niet per se tegen, maar wil geen subsidies verstekken en geeft andere technologieën voorrang. De voordelen zijn duidelijk. Kernenergie is CO2-vrij en de opwek van elektriciteit gebeurt centraal. Je hebt dus niet veel kerncentrales nodig om grootschalig elektriciteit op te wekken. Maar ook kernenergie kent nadelen: de bouw is prijzig, duurt lang en het kent een afvalvraagstuk. Wel geldt voor kernenergie hetzelfde als voor groene waterstof: de kosten gaan voor de baat. Oftewel om na 2030 te kunnen opschalen, moeten de investeringen nu reeds plaatsvinden.

Een saignant detail is dat omringende landen, zoals Duitsland, Frankrijk en België, juist in meer of mindere mate van kernenergie af willen. De nadelen van kernenergie kregen daar de overhand. Aangezien het alternatief van duurzame energie nog niet afdoende is om deze kernenergie te vervangen, zien we de CO2-uitstoot in die landen daardoor toenemen. Het Verenigd Koninkrijk bouwt wel een nieuwe kerncentrale.

Biomassa

Over biomassa lopen de meningen ook sterk uiteen. GL, SP, FvD en PVV sluiten nieuwe biomassa uit. De VVD, en de PvdA wil geen nieuwe subsidie meer beschikbaar stellen. D66 wil geen houtige biomassa meer en het CDA en CU zijn nog wel voor biomassa, mits duurzaam en/of uit reststromen. De Europese Unie heeft aangegeven welke technologieën als hernieuwbaar worden aangemerkt en welke niet. Biomassa valt onder de categorie duurzaam. Biomassa kan komen uit geteelde gewassen zoals suikerriet, maïs, koolzaad- en palmolie en dierlijke vetten. Verder kan het bestaan uit afvalstromen zoals gft, oud papier en snoei-, afval- en resthout. Er is recentelijk veel discussie over houtige biomassa. Als gevolg van de verandering van het sociale draagvlak willen de meeste partijen inmiddels niet meer dat er subsidie gaat naar het gebruik van houtige biomassa, of biomassa in het algemeen. Aangezien biomassa door de EU wel wordt gezien als duurzaam, én er de afgelopen jaren fors op is ingezet, is biomassa de komende jaren nog wel één van de pijlers waarop het halen van de Nederlandse doelstellingen rust. Door het nu uit te sluiten en versneld af te bouwen komen de doelstellingen voor 2030 niet dichterbij, maar juist verder weg te liggen. De alternatieven van biomassa worden namelijk al vol ingezet, en versnelling daarvan is – zoals eerder gezegd – uiterst lastig. Met de Urgenda-rechtzaak nog in het achterhoofd is dat ook niet wenselijk.

Wilt u zelf eens kijken hoe de keuzes voor verschillende technologieën uitpakt? Kijkt u dan eens op Klimaatwijzer.nu. Op deze site kunt u zelf de energietransitie vorm geven en zien wat er allemaal nodig is om de doelstellingen te halen.

Er lijkt geen ruimte voor uitsluiten: Alles is nodig!

Kijkend naar de toekomstscenario’s zien we dat de mondiale vraag naar energie naar alle waarschijnlijk blijft doorgroeien tot na 2030. In Europa zien we dat de vraag naar energie al aan het dalen is. In opkomende landen in Azië en Afrika neemt die vraag exponentieel toe. De vraag naar elektriciteit neemt ook steeds meer toe, zelfs in Europa. Wat uit deze scenario’s ook blijkt is dat we niet de luxe hebben om te kunnen kiezen uit technologieën. Sterker, uit de verschillende toekomstscenario’s (van bijvoorbeeld Shell en BP, maar ook van – volgens sommigen – iets onafhankelijkere partijen zoals Bloomberg New Energy Finance, DNV én het Internationale Energieagentschap) blijkt dat we alle technologieën nodig hebben om onze energiemix te verduurzamen. Mocht je technologieën willen uitsluiten, dan wordt de energietransitie alleen maar lastiger, duurt het langer én wordt het duurder. Dit botst dus bij partijen die én sneller willen verduurzamen, én technologieën uitsluiten.

Uiteraard moet je als land kijken naar welke technologie voor het land het meest geschikt is. Windenergie is in Nederland nu eenmaal logischer dan waterkrachtcentrales. Met de keuze van oplossingen moet ook het eigenlijke doel in ogenschouw blijven. Uiteindelijk hebben we met 195 landen in Parijs afgesproken om de mondiale temperatuurstijging te beperken tot 1,5 graden. Het kiezen voor nationale oplossingen die tot hogere CO2-uitstoot leiden aan de andere kant van de grens is suboptimaal. Daar komt bij dat de CO2-uitstoot gerekend wordt in het land waar de productie plaatsvindt, en niet waar het product geconsumeerd wordt. Als er bijvoorbeeld isolatiemateriaal gemaakt wordt in Rotterdam is de CO2-uitstoot die daarbij vrijkomt voor rekening van Nederland. Dat isolatiemateriaal wordt vervolgens in Duitsland of België geïnstalleerd en daar leidt het tot netto veel minder CO2-uitstoot. Dat is dan mooi voor de Europese doelen en voor het klimaat, maar minder mooi voor de Nederlandse doelstellingen. Een ander voorbeeld is het exporteren van elektriciteit dat opgewekt is door gascentrales in Nederland waardoor de vervuilender kolencentrales in Duitsland stil komen te staan: netto minder CO2-uitstoot in Europa, maar hogere uitstoot in Nederland. Het blijft dus zaak om het grotere plaatje in ogenschouw te houden. Het halen van nationale doelstellingen blijft relevant, maar het mondiale einddoel is belangrijker.

Na de ambitie volgt de uitvoering op lokaal niveau

Na de keuze voor de snelheid van de Nederlandse CO2-reductie ten opzichte van Europa, en de constatering dat er eigenlijk geen enkele technologie kan worden uitgesloten, volgt de implementatie. Daarna sijpelt het landelijke beleid door naar de lokale gemeenschappen. Wat blijkt? Veel dingen willen we niet en draagvlak komt te voet, maar gaat te paard. Aan de ene kant zien we klimaatstakingen door jongeren die eisen dat de energietransitie ‘nu eindelijk eens moet worden gestart’ terwijl er aan de andere kant geregeld petities langskomen tegen diverse energievormen. Windenergie (op zee, maar zeker op land) kent steeds meer tegenstand nu het meer en meer zichtbaar wordt in het landschap. Gaswinning in Groningen wordt binnenkort gestaakt, maar ook gaswinning in kleine velden ondervindt steeds meer weerstand onder de lokale bevolking. Biomassa willen we eigenlijk ook niet meer en zonneparken moeten ook vooral niet ten koste gaan van landbouwgrond. Alleen zonnepanelen op daken lijken nog onder de bevolking te kunnen rekenen op groeiend draagvlak. Maar dan moet het ook niet een te groot dak zijn, want dan liggen de verzekeraars dwars vanwege de hogere risico’s op brand indien het niet goed geïnstalleerd word of door problemen met de constructie van het gebouw. En dan hebben we het nog niet gehad over de technische inpasbaarheid vanwege de capaciteitsproblemen van het elektriciteitsnet.

Is er dan alleen maar slechts nieuws? Nee, zeker niet. Bij de verkennende Regionale Energiestrategieën kijken alle 30 energieregio’s in Nederland naar de mogelijke toepasbaarheid van de energietransitie op lokaal niveau. Hierbij wordt gekeken waar en hoe het best duurzame elektriciteit opgewekt kan worden, welke warmtebronnen te gebruiken zijn op wijkniveau en of deze plekken maatschappelijk gezien acceptabel én financieel haalbaar zijn. Door lokale inspraak hoopt men op voldoende draagvlak zodat de plannen niet enkel op papier vleugels krijgen, maar ook in de praktijk kunnen gaan vliegen. De eerste signalen zijn positief en tellen alle voorlopige potentiele uitkomsten bij elkaar veel meer op dan nodig. Niet al deze plannen hoeven te worden gerealiseerd en er kan dus echt worden gekeken waar het draagvlak het grootst is.

Dus, valt er iets te kiezen?

Kortom, valt er iets te kiezen tijdens deze verkiezingen als het gaat om de energietransitie? Ja en nee. Ja, we kunnen kiezen of we sneller dan, gelijk aan, of langzamer dan – maar uiteraard wel binnen de eisen van – de Europese doelstellingen zouden willen verduurzamen. Tevens kunnen we aangeven met de keuze op een partij welke technologieën we wel, en welke we vooral niet zien zitten.

Toch zal ook dat grotendeels een signaal functie hebben. Niet alleen omdat we een coalitiestelsel kennen, waardoor er compromissen gemaakt moeten worden, maar ook doordat de grove richting inmiddels is bepaald door de Europese afspraken die gemaakt zijn ten behoeve van het Parijs Klimaatakkoord. Verder is gebleken dat we, op Europees niveau, geen technieken kunnen uitsluiten en alle zeilen moeten worden bijgezet om de klimaatdoelstellingen te halen. Maar voor de daadwerkelijke uitvoering wordt verwezen naar de provinciale en gemeentelijke politiek. Die moeten kijken wat op lokaal niveau haalbaar en betaalbaar is, met voldoende draagvlak onder de kiezers.

De muziek wordt geschreven door Brussel, en de lokale (provinciale en gemeentelijke) politiek bespeelt de instrumenten. Het ritme en de snelheid worden wel gestuurd vanuit Den Haag. De landelijke politiek is wat dat betreft als een dirigent bij het orkest. Een mooie en noodzakelijke drie-eenheid.

Andere publicaties uit deze serie