NL Weekly: De week van maaltijdbezorgers, lonen, consumptie, handel en investeringen

door: Nora Neuteboom , Jan-Paul van de Kerke , Piet Rietman , Philip Bokeloh

  • Consumptieve bestedingen herstellen pas in 2022
  • Positiever over loonstijgingen
  • Meer zekerheid voor maaltijdbezorgers
  • Ook bedrijven zullen met ‘long Covid’ kampen
  • Handel levert dit jaar weer positieve bijdrage aan Nederlandse bbp-groei
210225-NL-Weekly-De-week-van-de-maaltijdbezorgers-de-lonen-de-consumptie-de-investeringen-en-de-handel.pdf (250 KB)
Download

Consumptieve bestedingen herstellen pas in 2022

De krimp in het vierde kwartaal van 2020 van de Nederlandse economie van 0,1% ten opzichte van het voorgaande kwartaal is voornamelijk te wijten aan de sterke daling van de consumptie door huishoudens. Huishoudens hebben in het vierde kwartaal 1,4% minder besteed. Vergeleken met het vierde kwartaal van 2019 lag de consumptie 7,3% lager. In 2020 hebben consumenten gemiddeld 6,6% minder besteed dan in 2019, de grootste krimp ooit gemeten.

In het vierde kwartaal van vorig jaar ging de Nederlandse economie op 14 december wederom in lockdown, ditmaal een nog strengere lockdown dan tijdens het tweede kwartaal van vorig jaar. Uit de totale bestedingen (pintransacties, online betalingen en cashopnames) van klanten van ABN Amro blijkt dat de jaar-op-jaar daling in januari en de eerste weken van februari vergelijkbaar is met die van de laatste twee weken van december. De terugval weerspiegelt de CBS-cijfers van het consumentenvertrouwen. Het vertrouwen is in februari 2021 niet veranderd in vergelijking met een maand eerder (-19).

We veronderstellen dat de huidige lockdown tot begin juni voortduurt. Onze huidige aanname is dat de winkels in juni weer opengaan en de horeca geleidelijk in juli zal heropenen. In de aanloop daarvan kunnen wellicht enkele maatregelen worden teruggedraaid, zoals de avondklok of de sluiting van scholen en universiteiten. Maar deze maatregelen hebben minder directe economische gevolgen. Voor het eerste kwartaal van dit jaar hebben we dan ook een forse krimp  van de consumptieve bestedingen geraamd van 5% kwartaal-op-kwartaal. Voor het tweede kwartaal voorzien we en licht herstel van 1,2%, gegeven de geleidelijke heropening. Pas vanaf het derde kwartaal zal het echte herstel optreden, we verwachten dat de consumptieve bestedingen opveren met 7,4%.

Dit is voornamelijk een ‘statistisch’ herstel; doordat winkels, horeca en de dienstensector weer grotendeels open kunnen, vindt er automatisch een grote stijging plaats. We verwachten niet dat er in de tweede helft van 2021 sprake zal zijn van een forse inhaalgroei; dat zijn uitgaven die bovenop de normale activiteit komen. Eerder schreven we al dat de extra besparingen van 2020 niet zomaar in een keer vrijkomen. Bovendien voorzien we een toename van het aantal faillissementen en de werkloosheid in de tweede helft van 2021, omdat de steunmaatregelen dan worden afgebouwd. Dat tempert het consumentenvertrouwen en de uitgaven. Pas in 2022 zullen de consumptieve bestedingen gedeeltelijk terugveren. We verwachten dat de groei van de consumptieve bestedingen in 2021 op 0% zal uitkomen – het verlies in de eerste helft van 2021 wordt dus goedgemaakt door de opleving in de tweede helft van het jaar. Voor 2022 voorzien we een fors herstel van bijna 5%. (Nora Neuteboom)

Positiever over loonstijgingen

Collectieve loonafspraken tussen werkgevers en werknemers zitten nog altijd in een hele lastige fase. Zoals werkgeversvereniging AWVN bekendmaakte zijn er in januari slechts 7 cao-akkoorden tot stand gekomen. Volgens onze berekeningen zijn er nu zo’n 1,9 miljoen werknemers met een verlopen cao. Precies dit verschijnsel, verlopen cao’s, is wat de afgelopen maanden bijdroeg aan onze pessimistische prognose: gemiddeld 1,1% contractloonstijging in 2021.

Deze pessimistische verwachting lijkt momenteel te worden onderstreept door wat er gebeurt in de publieke sector. De onderhandelingen over het loon van rijksambtenaren en gemeenteambtenaren liggen stil. Er vallen zoveel werknemers onder deze twee cao’s dat ze samen een weging van bijna 5% in de totale Nederlandse contractloonontwikkeling hebben. Daarnaast zijn ambtenaren vaak ‘marktleider in arbeidsvoorwaarden’ doordat andere (publieke) cao’s hier hun loongroei op afstemmen.

Het steeds verlengen van de steunmaatregelen is echter een signaal dat onze ‘base case’ te pessimistisch is. De uiteindelijke piek in de werkloosheid komt door de NOW niet alleen later, maar wordt ook lager. En hoe schaarser arbeid, hoe hoger het contractloon. Bovendien zorgt de NOW ervoor dat meer bedrijven het lang genoeg volhouden om de heropening van de economie mee te maken. Deze ‘overlevers’ hebben tegen die tijd weliswaar nog kleinere buffers en grotere schulden, maar de loonruimte wordt vooral bepaald door de operationele kasstroom.

Zo hoeft het uitblijven van cao’s niet per sé slecht nieuws te zijn voor diegenen die hun baan weten te behouden. Elke maand dat loonafspraken uitblijven is een maand waarin de omstandigheden ten positieve kunnen veranderen voor werknemers. Aan de hand van nieuws over de NOW of nieuwe werkloosheidscijfers stellen we mogelijk onze contractloonprognose naar boven bij. (Piet Rietman)

Meer zekerheid voor maaltijdbezorgers

Vorige week sprak het Gerechtshof Amsterdam in een hoger beroep uit dat “de overeenkomst van maaltijdbezorgers met Deliveroo als arbeidsovereenkomst kwalificeert”. Een uitspraak die waarschijnlijk gevolgen heeft voor vergelijkbare bezorgdiensten. Uit de uitspraak blijkt enerzijds dat de aan bezorgers “gegeven vrijheid een omstandigheid is die eerder wijst op de afwezigheid dan op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst”. Maar, stelt het hof, alle overige omstandigheden zoals de wijze van loonbetaling en het uitgeoefende gezag wijzen meer op de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst dan op de afwezigheid ervan.

Allereerst is deze uitspraak een mooie illustratie van dat een arbeidsovereenkomst meer is dan een getekend document waar ‘arbeidsovereenkomst’ boven staat. Er kan ook uit de praktijk blijken dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bij twijfel weegt de rechter verschillende elementen uit de praktijk.

Ook is deze uitspraak belangrijk in de normalisering van een aanvankelijk disruptieve sector. Het patroon bij disruptieve bedrijven in Nederland lijkt te zijn dat ze een paar jaar hun gang kunnen gaan waarna de maatschappij grenzen stelt. Zo nam eerst AirBnB een grote vlucht, waarna de Raad van State bepaalde dat elke vakantieverhuurder een vergunning nodig heeft. Uber schikte na een paar jaar met het OM voor het overtreden van de taxiwet. Op zichzelf een gezonde wisselwerking, omdat zo ruimte bestaat voor ondernemers om te innoveren maar ook voor de maatschappij om aan te geven binnen welke kaders deze innovatie als wenselijk wordt gezien.

Wel is er alle reden om te kijken of beide partijen in deze wisselwerking gelijk aan elkaar zijn. Een maaltijdbezorger, een taxichauffeur en iemand die naast een AirBnB-appartement woont zijn relatief minder wendbaar, minder kapitaalkrachtig en minder goed georganiseerd. Een investeerder stapt uit het ene en in het andere disruptieve bedrijf en gaat makkelijker rechtszaken aan, omdat dat onderdeel van de bedrijfsstrategie is.

De Deliveroo-uitspraak betekent niet dat bezorgers sinds dinsdag werknemers zijn, maar wel dat ze dat kunnen gaan opeisen. Deliveroo-bezorgers ontvangen nu zo’n 12,- per uur en moesten daar als zzp’ers zelf geld van opzij zetten voor werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Als de werkgever dit straks doet zal blijken of die vergoeding omlaag gaat of het bedrijfsresultaat, of dat de prijzen stijgen. Wat wel duidelijk lijkt is de beweging naar meer zekerheid. Enerzijds staat één van de meest flexibele functies onder druk, anderzijds krijgen bezorgers recht op WW en WAO. De arbeidsmarkt wordt iets minder mobiel, maar er komt zekerheid voor terug. Gelet op de uitspraak van het gerechtshof vinden wij als maatschappij die zekerheid in dit geval belangrijker. (Piet Rietman)

Ook bedrijven zullen met ‘long Covid’ kampen

De grote onzekerheid voor bedrijven die voortkomt uit de Coronacrisis is ook te zien in resultaten uit investeringsenquêtes. De Investment survey van de Europese Investeringsbank laat zien dat ongeveer 75% van de ondervraagde Nederlandse bedrijven hun geplande investeringen in 2020 ten minste voor een deel hebben uitgesteld.

Investeringen hangen samen met economische verwachtingen. Onzekerheid of pessimisme over de komende economische situatie verlagen de investeringen die ondernemers nu doen. Het is dan ook geen verassing dat het totaal aan investeringen gedaan door bedrijven, de overheid en consumenten in 2020 gekrompen is met 3,2% ten opzichte van 2019.

De economische gevolgen van corona beïnvloeden ook de noodzaak om te investeren. De terugval in het bbp van 3,8% in 2020 betekent ook dat de economie en daarmee bedrijven onder potentieel opereren. Een blik op de bezettingsgraad van de industrie bevestigt dit, deze lag gedurende 2020 gemiddeld onder het niveau van de jaren daarvoor. Bedrijven konden hierdoor nieuwe orders vanuit de bestaande capaciteit aan. Investeringen waren hierdoor minder noodzakelijk.

Vooruitkijkend verwachten we voor 2021 en 2022 een stevige groei van investeringen van respectievelijk 4,3% en 5,3%. In sommige sectoren zoals de industrie blijkt uit vertrouwensindices dat het sentiment verbetert. Wij verwachten dat deze investeringsgroei voornamelijk in de tweede helft van 2021 gaat plaatsvinden. Gewoonlijk lopen investeringen iets achter op de ontwikkelingen van het bbp. In dit geval verwachten we dat investeringen echter gelijktijdig met het bbp aantrekken. Dit wordt medebepaald door het grote aandeel van uitgestelde investeringen en het duidelijke omslagpunt gedurende dit jaar waarop restricties afgebouwd worden. Anders dan bij voorgaande crises kunnen bedrijven dus eerder gaan investeren omdat de investeringsplannen reeds klaarliggen.

Toch groeien de investeringen nog geruime tijd niet tot de trend die voor corona te zien was. Je zou kunnen stellen dat ook bedrijven te maken hebben met ‘long Covid’. Denk bijvoorbeeld aan de toegenomen schuldposities bij bedrijven door belastinguitstel of door uitstel van betaling bij toeleveranciers of banken. Deze schulden moeten terugbetaald worden en drukken hiermee de investeringen. Ook verwachten we een toename van zogenoemde ‘tweede ronde-effecten’ zoals oplopende werkloosheid en faillissementen die leiden tot een afslag op de investeringen. (Jan-Paul van de Kerke)

Handel levert dit jaar weer positieve bijdrage aan Nederlandse bbp-groei

In 2021 heeft het verloop van de pandemie, net als in 2020, grote invloed op de wereldhandel. Na het tweede kwartaal van vorig jaar is de wereldhandel flink aangetrokken. Dit jaar gloort verder herstel.

In de industrie zijn de ergste productiestrubbelingen voorbij, op enkele hindernissen na. Zo is er momenteel een tekort aan containers, niet omdat er te weinig van zijn, maar omdat deze niet op de juiste plaats staan. Containers leeg naar China terugsturen was eerder te kostbaar. Zodoende staan er momenteel te weinig containers in China met als gevolg vertragingen en hogere transportkosten.

Verder kampt de industrie met een gebrek aan chips en halfgeleiders. Toen de industriële productie vorig jaar haperde, stelden bedrijven hun bestellingen uit. Nu de chipvoorraden opraken, blijkt dat de productiecapaciteit beperkt is. Als bedrijven voor nieuwe leveranties aankloppen bij chipfabrikanten, mogen zij achteraan de rij aansluiten. De productievertragingen en stijgende kosten die hieruit voortvloeien zijn gelukkig tijdelijk.

In navolging van de goederenhandel zal in de tweede helft van dit jaar ook de dienstenhandel aantrekken. Een hogere vaccinatiegraad biedt immers ruimte om contactbeperkingen terug te schroeven. Dienstensectoren zoals het toerisme profiteren daarvan, zodat de wereldhandel verder wordt aangezwengeld.

Enige rem op de internationale handel is er nog wel van de Brexit. Intensievere grenscontroles veroorzaken opstoppingen en vertragingen. Om alle rompslomp te vermijden overwegen bedrijven het VK voortaan te mijden. Dat zet weliswaar een rem op het herstel van de internationale handel, maar smoort deze niet.

De Nederlandse uitvoersector lift mee op het handelsherstel en wordt daarbij geholpen door de ruilvoet. Die is vorig jaar wederom verbeterd: de internationale prijs van goederen en diensten die Nederland uitvoert, stijgt harder dan de prijs van goederen en diensten die Nederland invoert. Na een kortstondige terugval in 2020 zal de internationale handel in 2021 weer een bescheiden, positieve bijdrage leveren aan de bbp-groei. (Philip Bokeloh)