Weekly NL: De week van het minimumloon, het woningtekort, de extra besparingen en de lopende rekening

door: Piet Rietman , Jan-Paul van de Kerke , Nora Neuteboom , Philip Bokeloh , Bill Diviney

  • Bidens minimumloonverhoging: zal het hier ook zo gaan
  • Oplossing woningtekort: ruimte zat in de naoorlogse wijken
  • EUR 15 mld extra gespaard geld tijdens de coronacrisis komt niet zomaar vrij
  • Overschot lopende rekening daalt maar waarschijnlijk slechts tijdelijk

 

210114-NL-Weekly-De-week-van-het-minimumloon-het-woningtekort-de-lopende-rekening-en-de-extra-besparingen.pdf (214 KB)
Download

 

Bidens minimumloonverhoging: zal het hier ook zo gaan?

Één van de verrassingselementen in het pandemiepakket van USD 1.900 mld van de gisteren geïnaugureerde president Biden is het minimumloonvoorstel. Biden wil op federaal niveau het minimumloon verhogen van USD 7,25 naar USD 15,- per uur. Zoals het er nu voorstaat is het onwaarschijnlijk dat Biden’s pakket door Senaat en Huis van Afgevaardigden heen komt zonder de steun van enkele Republikeinen in de Senaat. Andere elementen van het pakket kunnen wél met een eenvoudige meerderheid, dus zonder Republikeinse steun, aangenomen worden.

Of de minimumloonverhoging nu lukt of niet, het zal hoe dan ook het startschot zijn van een breder debat. Veel (meestal Democratische) staten zetten zelf al stappen vooruit door zelfstandig het minimumloon te verhogen naar een niveau ver boven USD 7,25. Zo’n 29 staten en 53 steden en counties zitten boven dit huidige federale niveau en in 2026 werkt 42% van de Amerikanen op plekken met een minimumloon van USD 15,- of meer. De minimumlonen in heel de VS zullen dus, of Biden op federaal niveau nu op korte termijn succes heeft of niet, significant stijgen de komende jaren.

Het is ook erg waarschijnlijk dat het volgende Nederlandse kabinet het minimumloon verhoogt. Het is nu EUR 10,- per uur en zou naar een vergelijkbaar niveau als de Amerikaanse USD 15,- kunnen gaan: in euro’s is dat boven de EUR 12,- per uur. Terwijl sommige politieke partijen het naar EUR 14,- willen verhogen, stellen andere kleinere verhogingen voor of hebben geen specifiek voorstel. Ook is er geen overeenstemming over wat er moet gebeuren met de aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen, of over het vraagstuk van een plotselinge of stapsgewijze verhoging. Één ding dat wel duidelijk is, is de Europese richtlijn die betekent dat het minimumloon op een zeker moment naar zo’n EUR 12,75 per uur zal moeten.

Behalve dat een vergelijkbaar niveau te verwachten is, lijkt ook het publieke debat op dat in de VS. Wie nu naar Amerikaanse opiniepagina’s, beleidsstukken en social media kijkt, krijgt een indruk van hoe de Nederlandse discussie zich later dit jaar gaat ontwikkelen. Ten eerste is er veel discussie over wat een verhoging zal betekenen voor de werkgelegenheid. Ten tweede gaat het veel over de gevolgen voor de consumentenprijzen. In beide gevallen is er echter niet veel economisch onderzoek dat grote effecten laat zien.

Dat wil ook weer niet zeggen dat economisch onderzoek het juiste beleid voor ons kan uitstippelen, of dat er een ‘optimaal niveau’ voor het minimumloon bestaat. Er is veel onduidelijk. Zowel Joseph Stiglitz in de VS als het CPB hier wezen eerst op de negatieve gevolgen van een verhoging en hadden vervolgens andere bevindingen in recentere jaren. Ook moeten we ons ervan bewust zijn dat het enige dat economisch onderzoek kan doen, modelleren is. Bij het empirisch onderzoek dat tot dusver is gedaan, ging het namelijk om kleinere verhogingen, lagere minimumlonen en andere macro-economische omstandigheden dan bij de huidige voorgestelde verhogingen in de VS en Nederland. Als er één les valt te trekken dan is het dat economisch onderzoek naar dit onderwerp, nog geen exacte antwoorden verschaft. Pas nadat de beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, zullen wij beter zicht krijgen op de economische gevolgen ervan. (Bill Diviney, Piet Rietman)

Oplossing woningtekort: ruimte zat in de naoorlogse wijken

De huidige strenge lockdown onderstreept nog eens het belang van kwalitatief goede huisvesting, maar helaas heeft niet iedereen daar toegang toe. Op dit moment komt Nederland 330.000 woningen tekort. Dit tekort is ontstaan door een gebrek aan nieuwbouw. Ook de komende jaren dreigt het aantal nieuw opgeleverde woningen achter te blijven bij de behoefte, zodat het tekort verder zal oplopen tot naar schatting 420.000 woningen in 2025. Het woningtekort is één van de oorzaken achter de sterke huizenprijsstijging. In het derde kwartaal zijn de huizenprijzen (nieuwbouw en bestaand) met 8,3% gestegen ten opzichte van hetzelfde kwartaal een jaar geleden. Dat is royaal boven het gemiddelde van de Europese Unie, dat op 5,2% staat.

Dat er meer woningen nodig zijn, daar is iedereen het wel over eens. Het kabinet gaat er vanuit dat er tot 2030 een miljoen extra woningen bij moeten komen. Alleen de manier waarop dit aantal te realiseren, daarover verschillen de meningen. De discussie spitst zich deels toe op waar bouwgrond vrij te maken. Is er ruimte binnen de steden, bijvoorbeeld op verlaten bedrijfsterreinen, of dienen nu nog onbebouwde groene zones vrij te worden gegeven voor woningbouw? De eerste optie geldt als bewerkelijk vanwege de vereiste bodemsaneringen en de noodzaak ondernemers uit te kopen en bedrijven te verplaatsen. Maar ook de tweede optie kent belemmeringen. Denk aan de wens tot behoud van groen en aan de aanlegkosten van nieuwe infrastructuur.

Is er nog een uitweg uit deze impasse? Ja, maar daarvoor is het wel zaak de discussie naar de bestaande woonwijken te verplaatsen. Het aantal personen per huishouden is sinds de jaren zeventig sterk gedaald, onder andere door de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Dit betekent dat veel huishoudens relatief groot wonen, soms groter dan zij zelf nodig achten. Vooral ouderen zouden met minder vierkante meters genoegen nemen als zij de kans hadden om door te stromen naar een geschikte woning, bij voorkeur in de vertrouwde woonomgeving. Met het oog hierop is het interessant het vizier eens te richten op de naoorlogse wijken. Is het mogelijk daar nieuwe woningen te bouwen en in de woningbehoefte te voorzien? Het antwoord is ja.

Onderzoek wijst uit dat 500.000 tot 700.000 huishoudens een nieuw onderdak zouden kunnen vinden in de wijken die in de jaren vijftig tot tachtig zijn gebouwd. Hiervoor zijn vier mogelijke strategieën. De eerste is gericht op bestaande woningen splitsen of deze uitbreiden met een extra woonlaag. De tweede op een betere benutting van de ruimte tussen bestaande woningen, bijvoorbeeld door garages te slopen en te vervangen voor woningen. De derde op de sloop van wijken of delen daarvan, zodat er ruimte komt voor meer compacte nieuwbouw. En de vierde op de bouw van woningen aan de randen van de stad. Door de veranderingen in de mobiliteit ontstaan daar mogelijkheden om te bouwen.

De voorgestelde ingrepen zullen een inbreuk maken op de levens van degenen die in deze naoorlogse wijken wonen. Betekent dit automatisch dat de plannen uiteindelijk zullen stranden, omdat bewoners zich ertegen zullen verweren? Dit risico is zeker aanwezig. Vandaar ook de noodzaak om bewoners vanaf het begin bij de planvorming te betrekken en draagvlak te creëren. Dat draagvlak zal er alleen komen als de belangen van bewoners voorop staan, dus als bewoners erop vertrouwen dat zij in de toekomst kansen krijgen om door te stromen, als zij uitzicht hebben op een betaalbare comfortabele duurzame woning en als zij kunnen rekenen op betere zorg- en groenvoorzieningen in de wijk.

Stuit het idee om in naoorlogse wijken behalve op democratische ook nog op financiële uitdagingen? Zeker, maar deze hoeven niet onoverkomelijk te zijn. Bouwen in bestaand gebied brengt weliswaar extra kosten met zich mee, maar een deel daarvan valt weg, omdat sommige aanpassingen, zoals verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, ook zonder nieuwbouw nodig zijn. Verder geldt dat er minder kosten zijn voor bodemsanering en de aanleg van infrastructuur. Daarnaast kunnen gemeenten profiteren van hogere grondopbrengsten dankzij het intensievere grondgebruik. Tot slot zijn er toekomstige besparingen mogelijk doordat gemeenten de juiste voorwaarden kunnen creëren voor goede, betaalbare sociale voorzieningen.

Bouwen in naoorlogse wijken biedt dus kansen, niet alleen op het vlak van huisvesting maar ook op dat van verduurzaming en sociale vraagstukken. Voorlopig zullen de mogelijkheden hiervoor wel vooral bij corporatiewoningen liggen. Corporaties hebben immers omvangrijke woningportefeuilles en kunnen daardoor makkelijker op buurtniveau plannen maken met gemeenten. Voor individuele woningbezitters ligt dat wat lastiger. (Philip Bokeloh)

EUR 15 mld extra gespaard geld tijdens de corona crisis komt niet zomaar vrij

Het totale spaargeld in Nederland, gemeten door DNB, neemt al decennia lang gestaag toe. In de eerste elf maanden van 2020 was de netto inleg in deposito’s met opzegtermijn  rond de EUR 23 mld. In 2019 lag de gemiddelde netto inleg nog op minder dan EUR 10 mld. Uit onze berekeningen blijkt dat consumenten in 2020 ongeveer EUR 15 mld extra heeft gespaard dan de trend (dus: als er geen corona was geweest). Een groot gedeelte van het extra netto spaargeld werd gespaard tijdens de intelligente lockdown (maart tot juni). Er lijkt dan ook sprake van ‘onvrijwillig spaargeld’; geld dat consumenten wel zouden willen besteden, maar vanwege de restricties niet kunnen. Denk hierbij aan horeca, vakanties, maar ook bijvoorbeeld wellness. Dit ‘onvrijwillige’ spaargeld, zou straks na het opheffen van de maatregelen allemaal vrij kunnen vallen, waardoor een forse inhaalgroei mogelijk is. Consumenten gaan in dat geval niet een keer per maand uit eten, maar elke week. Niet een grote vakantie in het jaar, maar twee.

Die forse inhaalgroei is echter niet wat we verwachten. Spaargeld neemt tijdens een economische crisis traditioneel toe; consumenten bewaren een appeltje voor de dorst omdat ze onzeker zijn over de toekomst. Ter illustratie: tijdens de financiële crisis in 2009 werd er EUR 14,2 mld extra netto spaargeld ingelegd. In 2010 was dat EUR 7 mld. Dat gespaarde geld werd nauwelijks uitgegeven toen de crisis voorbij was. Het onvrijwillige  gedeelte van het spaargeld dat tijdens de coronacrisis is opgebouwd zou wel vrij kunnen worden besteed.  Maar uit de gedragseconomie leren we dat mensen het moeilijk vinden om op hun gespaarde geld in te teren, ook al is dat hoger dan ze initieel hadden voorzien. Bovendien wordt spaargeld vaak gebruikt voor grote uitgaven, zoals een huis of een auto en van die uitgaven profiteren de meest getroffen sectoren minder. Kortom, een keer extra uit eten, dat valt wel te verwachten, maar we verwachten niet dat consumenten na de lockdown EUR 15 mld extra uitgeven. (Nora Neuteboom)

Overschot lopende rekening daalt maar waarschijnlijk slechts tijdelijk

Nederland heeft structureel een overschot op de lopende rekening. De voornaamste reden hiervoor is dat wij meer uitvoeren dan dat wij aan goederen en diensten invoeren. Dit structurele overschot wordt door de Europese Commissie aangemerkt als een macro-economische onevenwichtigheid.

Een chronisch overschot is een complex probleem en komt onder andere door de gemeenschappelijke munt die wij als Eurozone landen hebben. Structureel hogere vraag naar uitvoerproducten leidt in een situatie zonder gemeenschappelijke munt tot opwaartse druk op de wisselkoers. Hetgeen de handel met dat land relatief duurder maakt. Wisselkoersen zijn in dat aspect dus corrigerend. Vanwege de euro is deze correctie niet aanwezig. Nederland ‘profiteert’ dus van het hebben van de euro, we kunnen blijven uitvoeren zonder dat er een wisselkoers correctie optreedt.

Het overschot op de lopende rekening is echter aan het dalen geeft DNB aan. Waar komt de recente afname van het overschot door?

Grofweg wordt de lopende rekening opgedeeld in het handelssaldo en het inkomenssaldo. Onder het handelssaldo vallen de geldstromen die voortkomen uit de invoer en uitvoer van goederen en diensten. Het inkomenssaldo bevat transacties die voortkomen uit arbeid of financieel vermogen, denk hierbij aan winsten die uitgekeerd worden aan Nederlandse bedrijven volgend op investeringen in het buitenland.

Omdat de handel in volumes minder groot is dan voorgaande jaren is ook het overschot op de handelsbalans kleiner. Er blijft hier echter sprake van een overschot, er wordt dus meer uitgevoerd dan er ingevoerd wordt, maar omdat het volume minder groot is daalt het overschot op het handelssaldo.

De daling van het overschot wordt ook door een verandering in het inkomenssaldo bepaald. Ontvangsten voor Nederlandse bedrijven op investeringen uit het buitenland vielen door corona erg tegen. Nederlandse bedrijven keerden op hun beurt ook minder uit aan het buitenland, echter was deze terugval minder groot. Netto betekent dit dat de in- en uitgaande stromen nagenoeg in evenwicht waren, iets wat in de afgelopen vijf jaar niet voorgekomen is. Het inkomenssaldo droeg dus afgelopen jaar niet bij aan het overschot op de lopende rekening.

Een dalend overschot op de lopende rekening is dus ook vanuit Europees perspectief een interessante ontwikkeling. Maar omdat corona ook hier de hoofdverdachte lijkt te zijn is het nog maar de vraag in hoeverre deze daling structureel is. (Jan-Paul van de Kerke)