De week van armoederisico, faillissementen, binnenlandse migratie en pensioenkortingen

door: Jan-Paul van de Kerke , Philip Bokeloh , Piet Rietman

  • Armoederisico neemt in goede jaren niet meer af
  • Nederland geen uitzondering met teruglopende faillissementen
  • Ik vertrek… uit de Randstad
  • Pensioenkortingen: dubbeltje op zijn kant

Armoederisico neemt in goede jaren niet meer af

Uit gisteren door het CBS gepubliceerde cijfers blijkt dat het armoederisico onder de Nederlandse bevolking nauwelijks veranderd is in 2019. Het aantal personen met tenminste één jaar armoederisico nam af van 1.028.900 naar 1.014.600. Tegelijkertijd nam het langdurig armoederisico, het aantal personen dat vier jaar of langer risico op armoede liep, toe van 391.300 naar 397.700.

Een persoon loopt volgens de CBS-definitie ‘armoederisico’ als hij of zij onder de lage-inkomensgrens zit. Dit is een enigszins arbitraire grens – afgeleid van het bijstandsniveau in 1979 – maar de toe- en afnames in de aantallen mensen die er onder zitten laten wel degelijk zien hoe armoede zich ontwikkelt in Nederland.

2019 is inmiddels het vierde jaar op rij waarin het armoederisico (zowel volgens de korte als de langdurige definitie) ongeveer gelijk blijft. Dit is opvallend, want dit zijn jaren waarin de economie groeide. Voorheen waren jaren met economische groei ook jaren waarin het armoederisico afnam. Een mogelijke verklaring voor deze ontkoppeling is de brutoloongroei die sinds 2014 achterblijft bij de cao-loongroei. Het CPB wijt dit voor een groot deel aan de toename van het aantal flexbanen.

Onze prognose van het reëel besteedbaar inkomen impliceert dat het armoederisico in 2020 opnieuw ongeveer gelijk zal blijven, waarna het armoederisico toeneemt in de jaren 2021 en 2022. (Piet Rietman)

Nederland geen uitzondering met teruglopende faillissementen

Een krimpende economie en minder bedrijven die failliet gaan: dat lijkt niet te kloppen. Toch is dat wat we zien als we week na week de faillissementscijfers van het CBS bekijken. Is Nederland hierin een uitzondering of laten meer landen deze tegendraadse trend zien?

In de grafiek hieronder staan de Nederlandse, Duitse en Franse faillissementscijfers. Zo is te zien dat Nederland wat betreft het teruglopen van het aantal faillissementen zeker geen uitzondering is. Helaas zijn recente veranderingen in de Duitse en Franse cijfers nog niet beschikbaar waardoor de laatste maanden nog niet te vergelijken zijn.

De hoofdreden voor deze terugloop is de invoering van corona gerelateerde steunmaatregelen voor bedrijven. Ook andere landen slagen er dus, net als Nederland in om met steunmaatregelen de werkgelegenheid in stand te houden. Deze maatregelen verschillen echter wel tussen de landen. Duitsland en Frankrijk hebben bijvoorbeeld ten dele (Frankrijk) of volledig (Duitsland) de mogelijkheid om een faillissement aan te vragen opgeschort. Een belangrijke maatregel die in Nederland het niveau naar beneden drukt is de belastinguitstel. Ook Duitsland en Frankrijk hebben maatregelen die belastingen uitstellen maar niet in dezelfde mate waarin Nederland dat heeft gefaciliteerd.

Een precies causaal verband tussen de maatregelen en het niveau van faillissementen is moeilijk vast te stellen. De verschillen tussen de maatregelen verklaren daarom slechts ten dele het verschil in verloop van faillissementen. De behoorlijke dip die te zien is in het aantal faillissementen in april en mei in Frankrijk kan bijvoorbeeld verklaard worden doordat de rechtbanken die faillissementen moeten bekrachtigen daadwerkelijk dicht waren door coronamaatregelen. Ook een manier om bedrijven niet failliet te laten gaan. (Jan-Paul van de Kerke)

 

Ik vertrek… uit de Randstad

Jarenlang vormde de Randstad de trekpleister van Nederland. Vanuit de andere provincies trokken Nederlanders er naartoe vanwege studiemogelijkheden en baankansen. Vooral in de grote steden groeide de bevolking hard. Maar de laatste jaren is deze binnenlandse migratiestroom opgedroogd. CBS- cijfers van de binnenlandse verhuizingen wijzen uit dat het migratieoverschot van de provincies Utrecht en Noord- en Zuid-Holland is teruggevallen. Nog sterker, het overschot van Noord-Holland is omgeslagen in een tekort. Sinds 2017 vertrekken er meer mensen uit die provincie dan dat er heen verhuizen. Zo ver is het nog niet voor Utrecht en Zuid-Holland. Maar als de trend doorzet, duurt dit niet lang meer. Provincies die eerder nog een uitstroom kenden, zoals Drenthe, Friesland, Limburg, Overijssel en Zeeland, krijgen er nu juist bewoners bij. Het gestegen woningprijspeil in de Randstad vormt een deel van de verklaring hiervoor. Dit maakt uit de Randstad vertrekken immers makkelijker en de barrière om er naartoe te verhuizen juist groter. Een ander deel van de verklaring is de internationalisering van de grote steden. Als wij bijvoorbeeld nader inzoomen op Noord-Holland, blijkt dat de omslag vooral komt door de COROP-regio Groot-Amsterdam. Hoewel daar veel mensen vandaan vertrekken, blijft de totale bevolking er groeien. Rara hoe kan dat? Een belangrijke verklaring vormt de komst van expats en studenten uit het buitenland. Het binnenlands migratiesaldo mag negatief zijn, dit wordt ruimschoots gecompenseerd door het buitenlands migratiesaldo. (Philip Bokeloh)

 

Pensioenkortingen: dubbeltje op zijn kant

Van juli tot en met november was onze prognose dat veel pensioenfondsen zouden moeten korten in 2021. De twee grootste fondsen, ABP en PFZW, zouden daar ook bij zitten. Door recente ontwikkelingen hebben we deze prognose echter aangepast. Onze inschatting is dat er bij minder pensioenfondsen gekort moet worden en dat ABP en PFZW nét wel of nét niet moeten korten.

Die recente ontwikkelingen komen met name door positief vaccinnieuws. Dit heeft de waarde van aandelen en vastgoed flink doen toenemen. De activazijde van de balansen van pensioenfondsen is dus versterkt. We verwachten echter dat aankomende ECB-maatregelen de rente drukken. Daardoor worden – door de rekenrentesystematiek in het oude pensioenstelsel – de verplichtingen op papier duurder. De passivazijde van de balansen van pensioenfondsen zal dus nog wat wegzakken in december.

Onze berekeningen laten nu zien dat ABP en PFZW op 31 december met enkele tienden van procenten onder de kortingsgrens van 90% zitten. Aangezien niemand de beurs kan voorspellen is dit een verwachting met een ruime foutmarge en is ‘een dubbeltje op zijn kant’ de beste omschrijving voor het kortingsrisico bij ABP en PFZW. (Piet Rietman)