Reëel besteedbaar inkomen daalt: de bijstand

door: Piet Rietman

  • Het reëel besteedbaar inkomen daalt in 2021 en 2022
  • Dat komt onder andere doordat steeds meer mensen in de bijstand belanden
  • Wat een uitkering is die achterblijft bij de inflatie
Bijstand-blijft-achter-bij-inflatie.pdf (252 KB)
Download

Het reëel besteedbaar inkomen daalt in 2021 en 2022

Een veel gehoorde opvatting tijdens en na de vorige recessie was dat de beurs en het BBP iets anders zijn dan de ‘reële economie’. Ook op dit moment leven er veel van zulke opvattingen – het populaire boek ‘Fantoomgroei’ van Sander Heijne en Hendrik Noten zet bijvoorbeeld niet alleen vraagtekens bij de verdeling van de groei, maar ook bij het verschijnsel groei zelf. Logischerwijs winnen dergelijke debatten aan terrein in de jaren dat het volgens de klassieke parameters – zoals BBP – goed gaat, maar mensen in hun portemonnee het tegenovergestelde ervaren. 2021 en 2022 lijken twee van zulke jaren te worden. Omdat de inkomens van huishoudens door allerlei remmende factoren (loonrigiditeit, ontslagbescherming, NOW) achterlopen op de conjunctuur, ervaren de meeste huishoudens het dieptepunt van de crisis later pas.

We verwachten dat het BBP met 3% stijgt in 2021 en ook voor 2022 ligt een stijging voor de hand. Tegelijkertijd is onze prognose dat het reëel besteedbaar inkomen in deze twee jaren daalt (zie rechter figuur). Dit is wat een huishouden op jaarbasis netto te besteden heeft, gecorrigeerd voor inflatie.

Deze publicatie gaat in op de tweede van vijf aannames die ten grondslag liggen aan deze prognose:

  1. Verlopen cao’s bedreigen de loonontwikkeling
  2. Steeds meer mensen komen in de bijstand terwijl die reëel daalt
  3. Fiscale maatregelen stimuleren de nettolonen, maar zonder nieuw beleid is dat voorbij
  4. De werkloosheid loopt op
  5. Pensioenen worden gekort

Steeds meer mensen belanden in de bijstand

Op dit moment is er nog een licht dalende werkloosheid. Ook in oktober was dat het geval volgens het CBS. Op uitkeringsniveau valt op aan die cijfers dat, terwijl de werkloosheid daalt, het aantal mensen in de WW gelijk blijft. Dat zou impliceren dat het aantal mensen in de bijstand daalt. Over september en oktober heeft het CBS nog geen aantallen bijstandsgerechtigden gepubliceerd maar op basis van de door gemeenten gepubliceerde cijfers lijkt het alsof de daling inderdaad voortzet, tot een laagste punt van 423.000 bijstandsgerechtigden in oktober. Deze daling is vanuit beleid te verklaren: door de NOW-regeling is er minder instroom in de bijstand, terwijl gemeentelijk beleid (de verplichte tegenprestatie bijstand) net als in de afgelopen jaren zorgt voor een hoge uitstroom.

We verwachten dat de instroom in de bijstand de komende maanden stijgt door afbouw van NOW en TOZO. Hierdoor zullen respectievelijk vaste medewerkers en ZZP’ers in de bijstand belanden; de eersten meestal via de WW. Daar staat een uitstroom tegenover die versterkt wordt doordat er een groep van enkele tienduizenden bijstandsgerechtigden is die recente werkervaring heeft: de mensen met een uiztendcontract of nulurencontract die in met name het tweede kwartaal van 2020 in de bijstand belandden. Deze uitstroom weegt echter niet op tegen de instroom, waardoor het totale aantal bijstandsgerechtigden in de tweede helft van 2021 boven de 460.000 zal zitten.

Het bijstandsbedrag blijft achter bij de inflatie

Dit betekent dat er steeds meer mensen in een uitkering zitten die achterblijft bij de inflatie. Vanaf de tweede helft van 2021, juist het moment dat het aantal bijstandsgerechtigden een hoogtepunt bereikt, stijgt de bijstand namelijk bijna niet meer.

Op 1 januari 2021 stijgt het maandbedrag voor een alleenstaande nog van € 1006,08 naar ongeveer € 1020,-. Dat komt met name door fiscale wijzigingen zoals een lagere laagste belastingschijf en een hogere algemene heffingskorting. Die zijn beide van invloed op de berekening van het bijstandsbedrag. Voor 2022 en daarna zijn er, bij gelijkblijvend beleid, echter geen fiscale wijzigingen meer die een positieve invloed hebben op het bijstandsbedrag. Ook de koppeling – via het minimumloon – aan de contractlonen draagt steeds minder bij aan een stijging van het bijstandsbedrag, doordat de contractlonen stagneren. Beide factoren komen bovenop al bestaand beleid (sinds 2012) waardoor het bijstandsbedrag minder hard groeit: de afbouw van het percentage van de algemene heffingskorting dat gebruikt wordt om het bijstandsbedrag vast te stellen. Bij gelijkblijvend beleid stijgt het bijstandsbedrag – zowel op basis van onze contractloonorognose als op die van het CPB – de komende jaren met nog maar zo’n 3 euro per half jaar, te beginnen op 1 juli 2021.

Dit betekent dat de koopkracht van bijstandsgerechtigden daalt als de inflatie boven 0,6% is. Onze inflatieverwachting voor 2021 is 1,3%.

Voor het (reëel) besteedbaar inkomen is met name van invloed dat er steeds meer mensen werkloos worden. Uitkeringen zijn meestal lager dan lonen waardoor een huishouden waarin iemand werkloos wordt, er op achteruit gaat. Dat heeft meer effect op het besteedbaar inkomen dan de effecten binnen inkomenscategorieën zelf, zoals stagnerende lonen of in dit geval een reëel dalende bijstand. Wel gaan we er van uit dat een reëel dalende bijstand een groot effect heeft op armoede- en schuldenproblematiek. Naast de groep ZZP’ers die soms al schulden hebben komen daar vanaf de tweede helft van 2021 veel mensen bij die schulden opbouwen omdat het bijstandsniveau steeds minder afdoende is voor noodzakelijke uitgaven zoals huur, zorgverzekering of boodschappen. Dat veroorzaakt vaak financiële stress en andere welzijnsgerelateerde problemen, waardoor deze groep minder goed toegerust is om de arbeidsmarkt weer te betreden zodra die weer aantrekt.