Meer of minder steun, er valt nu echt iets te kiezen

door: Sandra Phlippen

Nu de tweede coronagolf en de daarop volgende lockdown ‘light’ een feit zijn, dringt zich de vraag op of het kabinet ook met de economische steunpakketten weer rechtsomkeert moet maken.

De steunpakketten van de derde ronde, zoals de NOW 3-regeling (Noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid) en de Tozo 3 (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers), zijn sinds 1 oktober ingegaan en gericht op afbouw van steun, zodat het aanpassingsproces kan beginnen. Dit aanpassingsproces heeft tot doel bedrijven en werknemers te stimuleren de richting te kiezen van die delen van de economie waar nog groei zit. We moeten weg van die sectoren die voorlopig of permanent door corona zijn geraakt.

Voorafgaand aan deze derde steunronde richtte de crisisaanpak van onze overheid zich – net als in de meeste landen van de eurozone – eerder op het voorkomen van een liquiditeitscrisis waarin kredietstromen opdrogen. Een fiscale bazooka van loonkostensubsidie, vergoedingen per sector, belastinguitstel en bankkrediet met staatsgarantie werd zonder al te veel voorwaarden over het Nederlandse bedrijfsleven uitgestrooid. Overheden in de eurozone staken zich diep in de schulden om dit alles te financieren en centrale banken kochten veel van het schuldpapier weer op. Zo stroomde het geld de economie in, zagen we weinig bedrijven omvallen en liep de werkloosheid slechts beperkt op. Het aantal faillissementen nam sinds maart zelfs substantieel af.

Beslismoment

Dat het kabinet besloot de koers te verleggen naar beperking van de steun, zodat langzaam maar zeker de draai naar de nieuwe economische realiteit gemaakt kan worden, is volstrekt begrijpelijk. Zeker als je het moment van beslissing in ogenschouw neemt: dat was afgelopen zomer. Hoewel nog kort geleden, waanden we ons toen nog in een fase waarin we een langzaam herstel van onze economie zagen. En ondanks dat we de naweeën van de eerste coronagolf nog moesten verwerken (faillissementen, werkloosheid en investeringsterugval zijn verschijnselen die met enige vertraging kop op steken), voorzagen we wel een herstel van onze economie en was een gefaseerde afbouw van overheidssteun logisch. Maar nu de tweede coronagolf een feit is, is de grote vraag: is die afbouw nog steeds verstandig?

Is het verstandig de afbouw voort te zetten, als het aantal faillissementen dan veel harder kan oplopen dan gedacht? Hoeveel mensen extra raken dan werkloos? En kan het kabinet dan met het beperkte omscholingsbudget daadwerkelijk mensen uit de zwaarst getroffen sectoren richting een ander beroep met meer perspectief bewegen?
Stel nou eens dat 20% van de werkenden die momenteel via loonkostensubsidie in een baan zitten, zal die baan zonder steun niet kunnen behouden. Dat zou om 260.000 mensen gaan. Voor hen is er op dit moment zo’n €5000 omscholingsbudget per werkende beschikbaar, waarbij werknemers uit bedrijven die geen NOW-bijdrage kregen buiten beschouwing zijn gelaten. Zal zo’n budget voldoende zijn om een overstap naar een ander beroep of een andere sector te kunnen maken?

Of zal het verstandiger zijn om terug te keren naar de omvang van het eerste steunpakket? Dan blijven omvang van de werkloosheid en het aantal faillissementen immers hanteerbaar en zullen productiestructuren aan de aanbodkant van de economie niet verloren gaan. Terugkeer is weliswaar vreselijk duur, maar daar staat tegenover dat het een spiraal van verder oplopende werkloosheid helpt voorkomen.

Als mensen door werkloosheid een terugval zien in hun inkomen, houden ze immers de hand op de knip. Hierdoor valt ook de omzet van bedrijven terug, waardoor de werkloosheid nog verder oploopt. Dat is werkloosheid op werkloosheid die door extra overheidssteun voorkomen had kunnen worden.

Afbouw van de overheidssteun of juist meer erbij is een vreselijk moeilijke keuze die de politiek moet nemen. Bij beide opties zien we voordelen, maar ook nadelen en risico’s. Toch kunnen we, op basis van een recente studie van het Centraal Planbureau, richting aanbrengen in de te maken keuzes. En belangrijker nog, we kunnen hierbij meer maatwerk aan de dag leggen.

Cruciale vragen

Twee vragen moeten leidend zijn bij de keuze wanneer we steun moeten doorzetten of wanneer we die juist moeten inperken. De eerste vraag is of de bewuste sector na corona weer tot bloei komt, en of wij die opbloei ook zouden willen.

De tweede vraag gaat over de werkenden in die specifieke sector. Hoe dringend is er behoefte aan de vaardigheden van deze werknemers in andere delen van de economie? Anders gezegd: is het wenselijk dat deze werkenden loskomen uit hun op dit moment gesubsidieerde baan om elders aan de slag te gaan?
Als de eerste vraag een duidelijk ja oplevert, en de tweede vraag een duidelijk nee, dan moet extra overheidssteun serieus overwogen worden. Uiteraard zal daarbij gekeken moeten worden hoe kostbaar en complex het zou zijn om de activiteiten van deze bedrijfstak en de gehele keten te herstarten als gevolg van faillissementen. Hoe hoger de kosten, hoe groter het belang van het voorkomen van faillissementen.

Deels zijn alle vragen te beantwoorden met goede kosten-batenanalyses. Deels zijn er data science-technieken nodig om bijvoorbeeld bij uitkeringsinstantie UWV de overstapmogelijkheden tussen twee beroepen te beoordelen. Maar deels zijn deze vragen ook politiek van aard.

De vraag in welke economie en maatschappij we na corona willen leven, is een mooi campagnethema in de aanloop naar de volgende verkiezingen. Meer dan ooit valt er nu echt iets te kiezen.

Deze column is eerder gepubliceerd op de Expertpagina van het Financieele Dagblad op 15 oktober 2020