Prinsjesdag 2020 – Plan voor omscholing stelt teleur

door: Sonny Duijn , Nora Neuteboom , Nadia Menkveld

Het belang van bij- en omscholing wordt steeds nadrukkelijker onderkend, juist vanwege het uitbreken van de coronacrisis. Het grof geschut dat nodig is om dit op gang te krijgen, ontbreekt echter nog in de huidige plannen. Aanvullende maatregelen zijn nodig om de mismatch op de arbeidsmarkt het hoofd te bieden. Daarnaast kan passende bij- en omscholing helpen de circulaire economie en de energietransitie verder op gang te helpen. 

Vlak na de uitbraak van het coronavirus tuigde het kabinet een fors pakket van financiële regelingen op om werkgevers en werknemers te ontzien. Werkgevers krijgen via de NOW-regelingen een tegemoetkoming in de loonkosten indien ze te kampen hebben met een groot omzetverlies.

Nieuwe realiteit

Het doel van de regeling is dat werkgevers werknemers blijven doorbetalen. Dit helpt bedrijven die tijdelijke zwaar getroffen zijn door de coronacrisis en de lockdown-maatregelen om hun personeel te kunnen vasthouden. Daarmee is een massale ontslaggolf en exploderende werkloosheid – en alle economische en sociale schade van dien – voorkomen. Van de regeling is massaal gebruikgemaakt; in de eerste ronde van de NOW-steun keerde de overheid zo’n 8 miljard euro aan voorschotten uit.

Tegelijkertijd is structureel sturen op kunstmatig baanbehoud onwenselijk. Het leidt er namelijk toe dat werknemers in dienst blijven om werk te doen dat er eigenlijk niet is. Dat komt omdat in de ‘nieuwe realiteit’ waarin anderhalve meter afstand de norm is en de angst voor het virus nog aanwezig, de ene beroepsgroep veel harder raakt dan de andere. Zo kunnen restaurants minder gasten ontvangen, waarmee zij minder personeel nodig hebben. Maar hoveniers, verpleegkundigen en programmeurs blijven in principe volop nodig. Economisch gezien zou het ideaal zijn als het arbeidsaanbod parallel verschuift met de vraag naar arbeid.

Werkloosheid loopt op

De overheid stuurt dan ook steeds meer aan op het aanpassen aan de nieuwe realiteit en stelt inmiddels striktere voorwaarden aan de noodsteun. “Na de fase van noodsteun is het nu ook belangrijk dat mensen door scholing en training de overstap kunnen maken naar sectoren waar een tekort aan personeel is, en dat bedrijven zich aan kunnen passen aan de nieuwe realiteit”, stelde Koning Willem-Alexander in de Troonrede.

De eis om geen werknemers om bedrijfseconomische gronden te ontslaan zoals die werd gesteld bij de eerste ronde NOW-steun, verdween dan ook grotendeels bij de volgende ronde. Dat is terug te zien in de werkloosheid, die op is gelopen naar 4,5 procent. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht nog een verdere toename met 130.000 werklozen in 2021, oftewel een werkloosheid van 6 procent van de beroepsbevolking. De derde ronde van de NOW-regeling loopt van oktober tot juli 2021, maar de voorwaarden worden geleidelijk steeds strenger.

Nu de werkloosheid oploopt en de verschillen tussen sectoren toenemen, is bij- en omscholing belangrijk geworden. In de Miljoenennota staat dat nog eens 37,5 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor omscholing naar tekortberoepen in het midden- en kleinbedrijf. Hiermee kunnen 10.000 trajecten worden gesubsidieerd.

Dit komt bovenop andere regelingen omtrent de arbeidsmarkt, zoals het aanvullende sociaal pakket van 1,4 miljard euro. Dit gaat niet alleen naar omscholing, maar ook naar de aanpak van jeugdwerkloosheid en de bestrijding van armoede en schulden. Ook heeft het kabinet al 50 miljoen euro uitgetrokken via het crisisprogramma NL Leert Door, waarmee mensen vanaf juli kosteloos onlinescholing en ontwikkeladviezen kunnen volgen om zich aan te passen aan de nieuwe economische situatie.

Plan voor bij- en omscholing stelt teleur

Toch lijkt dit niet het grove geschut aan bij- en omscholing dat nodig is. De Miljoenennota kan geen integraal plan voor omscholing voor werknemers uit krimpsectoren naar groeisectoren bieden. In vergelijkbare noodpakketten in Duitsland, België en Frankrijk maakt dit nadrukkelijker deel uit van de steun. Bovendien kan de Nederlandse 37,5 miljoen euro niet gezien worden als grof geschut, gezien de totale 37 miljard euro die nu al is opgegaan aan overheidssteun. Binnen het nationaal groeifonds (ook wel het Wopke-Wiebes fonds genoemd), wat eerder deze maand werd gepresenteerd, wordt geen prioriteit gegeven aan omscholing.

Er zijn ook bestaande structuren, zoals Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen), die per jaar ongeveer een miljard uitgeven aan opleiden van werknemers. Het huidige probleem is dat deze fondsen vooral opleidingstrajecten binnen de eigen sector financieren, wat werknemers beperkt helpt die willen overstappen van sector.

Dynamiek op arbeidsmarkt nog beperkt

De huidige situatie op de arbeidsmarkt toont aan dat bij- en omscholing een stimulans nodig heeft. Zo blijken de banen die op dit moment als kansrijk worden bestempeld, nog moeilijk vervuld te kunnen worden. Van de uitstaande vacatures voor alle beroepen die uitkeringsinstantie UWV in het huidige klimaat als kansrijk bestempelt, is volgens de arbeidsmarktindicator van ABN AMRO 15 procent onvervulbaar.

Zo is bijvoorbeeld 40 procent van de vacatures voor verpleegkundigen onvervulbaar, 29 procent voor die van installateurs en koeriers en 26 procent voor die van programmeurs. Tegelijkertijd is er nu veel meer zoekactiviteit naar werk als horecabediende dan voor de pandemie in ons land uitbrak, terwijl het aantal vacatures nu 63 procent lager ligt dan begin januari.

Stimuleren voor omscholing naar circulaire beroepen

Er lijken dus aanvullende maatregelen nodig om werkzoekenden te begeleiden naar de groeibanen. Daarbij lijkt het kansrijk om bijvoorbeeld in te zetten op omscholing naar banen die gekoppeld zijn aan de circulaire economie, waarbij alle grondstoffen hergebruikt worden en niets wordt weggegooid. Nederland heeft als doel om in 2050 volledig circulair te zijn.

Circulaire banen zijn banen die de kern van de circulaire economie vormen, zoals herstelwerkzaamheden en afvalmanagement. Maar ook werk bij bedrijven die de circulaire economie faciliteren, zoals ontwerpbureaus dragen hieraan bij. Indirecte beroepen die hiertoe behoren zijn leerkrachten en logistieke medewerkers.

Maar ook zijn er volledig nieuwe banen denkbaar in de circulaire economie, zoals een grondstofmakelaar. In dit nog niet bestaande beroep kan deze persoon een bedrijf dat veel afval produceert koppelen aan iemand die afval als grondstof kan gebruiken. Zo kan een restproduct van een bierbrouwerij gebruikt worden als grondstof voor brood. Circle Economy berekende in 2016 dat 8 procent van de banen nu al een circulaire insteek heeft. Dit percentage gaat toenemen als de overheid haar ambitie waarmaakt om volledig circulair te worden.

Ook de energietransitie creëert diverse banen. Om de omslag van fossiele naar duurzame energie te maken worden bestaande woningen gerenoveerd en moeten zonneparken worden gebouwd. Daarvoor is gespecialiseerd personeel nodig. Denk hierbij bijvoorbeeld aan monteurs van warmtepompen en installateurs van zonnepanelen. In 2018 adviseerde de SER dat overheid en bedrijfsleven samen moet werken om mensen te werven, op te leiden en om te scholen.

In het SER- rapport werd eveneens geconstateerd dat het tekort aan werknemers die de duurzame transitie waar kunnen maken steeds groter wordt. Deze mensen zijn hard nodig om de duurzame ambities van de overheid waar te maken. Door te stimuleren naar banen of daaraan gerelateerde vaardigheden die in een circulaire economie van belang zijn, kan de overheid zowel de mismatch op de arbeidsmarkt verkleinen als de circulaire economie verder op gang helpen.