De week van productiviteitsverlies door de hitte, pensioenfondsen in gevarenzone en lagere rente op consumptief krediet

door: Piet Rietman , Philip Bokeloh , Sandra Phlippen

  • Hittegolven leiden tot aanzienlijk productiviteitsverlies
  • Grootste twee pensioenfondsen op weg naar kortingen?
  • Rente op consumptief krediet naar maximaal 10%
200813-NL-Weekly-Hitte-productiviteit-consumptief-krediet-en-pensioenen.pdf (254 KB)
Download

Te heet om aan te pakken

De eerste hittegolf van 2020 is alweer een feit (KNMI). Vorig jaar en het jaar daarvoor telde het KNMI liefst twee hittegolven; twee periodes dat het kwik tenminste vijf aaneengesloten dagen boven de 25 graden celsius uitkwam, waarvan minimaal drie boven de 30 graden. Zonder aanvullende maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan (scenario KNMI’14 WH) hebben wij in 2050 naar verwachting 13 tropische dagen (>30 graden) per jaar. Beleid waarbij de opwarming tot 1.5 graden beperkt blijft, toont slechts half zoveel tropische dagen in Nederland (KNMI’14 GL). Wat doet dit gegeven met onze productiviteit?
De hitte maakt ons loom, wij slapen slechter en wij kunnen ons minder goed concentreren op onze taak dan anders. Onderzoek wijst bijvoorbeeld uit dat callcentra-medewerkers bij hogere temperaturen kortere gesprekken voeren en minder productief zijn.

Nu zijn er aanmerkelijke verschillen tussen mensen. Leeftijd en stress spelen bijvoorbeeld een rol bij hoe wij hitte ervaren. Ieder heeft zijn eigen voorkeurstemperatuur. Maar grosso modo presteren kantoorwerkers het best bij kamertemperatuur tussen 20 en 22 graden. Boven de 25 graden beginnen hun prestaties sterk af te nemen en valt hun productiviteit met zo’n 5 tot 7,5% terug bij elke graad temperatuurstijging.
In de sectoren waar veel buiten wordt gewerkt, slaat de hitte ook hard toe. In de landbouw, de bouw en de fabriekshallen van de maakindustrie wordt gaat er zo’n 2 procent productie verloren bij elke graad temperatuurstijging. Als het kwik boven de 37 komt, dan valt de productie met wel 60 procent naar beneden, zo blijkt uit recent Europees onderzoek.

Door Corona zal de verkoelende airco van een kantoortuin voor veel werknemers zijn ingeruild voor een warme werkkamer met ventilator, dus ook deze groep werkenden zal minder produceren dan normaal.
De sectorsamenstelling van de bedrijvigheid is dus bepalend voor de invloed van hoge temperaturen op de economische activiteit. Landen met een omvangrijke dienstensector zullen minder last ondervinden van hoge temperaturen. Toch blijven deze, vaak rijkere landen zeker niet gevrijwaard. Hittegolven gaan immers vaak gepaard met verkeersproblemen. Het risico van treinstoringen neemt bij hittegolven sterk toe, waardoor er meer vertragingen zijn.

Onderzoek naar de wereldwijde economische schade van hitte laat zien dat we in de toekomst (2100) zo’n 2,6 tot 3,4 procent van ons bbp kwijt zijn aan productiviteitsverlies door hitte ten opzichte van ons huidige klimaat. De bouwsector lijdt daar het meest onder (-1,5 tot -3%). Deze economische schade is berekend op basis van de loonkosten van de uitgevallen werkuren.
Tegen deze achtergrond is een CO2-heffing geen hinderlijke kostenpost, maar een belangrijk middel om innovaties en investeringen te stimuleren en niet onbelangrijk: voor ons toekomstig welbevinden. Naar verwachting zal rond 2030 het verschil in onze beleidskeuzes ten aanzien van hitte voelbaar worden.

Grootste twee pensioenfondsen in de gevarenzone

De grootste twee pensioenfondsen van Nederland, ABP en PFZW, blijven een dermate lage dekking houden dat de kans op kortingen in 2021 groot is. Bij de totstandkoming van het pensioenakkoord is afgesproken dat pensioenfondsen waarvan de actuele dekkingsgraad op 31 december onder de 90% is, moeten korten. Wij verwachten dat de dekkingsgraad van juli, die de fondsen aanstaande maandag bekend maken, voor beide pensioenfondsen rond de 85% zal liggen.

Vervolgens is de vraag wat in de resterende vijf maanden van het jaar gebeurt. Ons hoofdscenario is dat de passivakant van de balans van pensioenfondsen in die maanden verslechtert. Onze rentevisie impliceert een lagere rentetermijnstructuur, zodat toekomstige pensioenuitkeringen zwaarder gaan drukken op de balans. Het huidige pensioenstelsel is dermate rentegevoelig, dat wij niet verwachten dat een eventuele waardestijging van beleggingen dit ongedaan kan maken. Wij gaan uit van vier verschillende economische scenario’s. Slechts in één van de vier zullen de dekkingsgraden van ABP en PFZW boven de 90% uitkomen.

Dit geldt ook voor enkele kleinere fondsen, waardoor er bij in totaal zo’n zeven miljoen mensen het huidige of toekomstige pensioen omlaag dreigt te gaan. Werkenden hoeven dit niet per se te merken, omdat zij nog jaren voor de boeg hebben waarin het pensioen ook kan stijgen. Gepensioneerden daarentegen, zo’n anderhalf miljoen van die zeven miljoen, merken dit direct in hun pensioenuitkering van januari 2021. Ook gelet op de zwakkere AOW-stijging denken we daarom dat de koopkracht van gepensioneerden in 2021 misschien gelijk blijft ten opzichte van 2020, maar waarschijnlijk daalt. Het is nog te vroeg om te zeggen hoe hun koopkracht zich precies ten opzichte van die van werkenden zal verhouden. (Piet Rietman)

Lagere rente op consumptief krediet

Sinds maandag is de maximale rente op consumptief krediet verlaagd van 14 naar 10%. Deze door het kabinet ingestelde verlaging is tijdelijk en zal tot maart 2021 duren. In de praktijk gaat het vooral om kredieten op aankopen op afbetaling bij bijvoorbeeld postorderbedrijven. Veel banken hadden al rentes onder de 10% op rood staan, of verlaagden hun rentes in april na een oproep van minister Hoekstra.

Mensen met lage inkomens in combinatie met schuldenproblematiek zullen door de maatregel sneller uit de problemen kunnen komen. De dalende trend in consumptief krediet bij huishoudens zal er door worden versterkt, omdat huishoudens gezamenlijk minder geld kwijt zijn aan rente.

Dit wil niet zeggen dat een lagere rente altijd beter is, of de enige oplossing is. Zoals ook het Nibud zegt kunnen bij een te lage rentestand huishoudens juist in de verleiding komen om meer krediet op te nemen. Zowel voor de economie als geheel als voor individuele huishoudens is het niet duurzaam als die huishoudens veel lenen voor niet-noodzakelijke uitgaven.
Bij de evaluatie van deze maatregel in 2021 zou daarom niet alleen moeten worden gekeken naar het juiste renteniveau, maar ook naar de bredere context: de hoogte van lonen en uitkeringen. (Piet Rietman)