NL Weekly – De week van exportkrimp, herstelfonds en pensioenakkoord

door: Nora Neuteboom , Philip Bokeloh , Sandra Phlippen , Piet Rietman , Floortje Merten

  • Sterke krimp export door coronacrisis
  • Groei beroepsbevolking zwakt verder af
  • Europees Pandemieherstelfonds in de maak
  • Weinig ruimte voor indexatie pensioenen
  • Laatste piek in minimumloon en uitkeringen
NL-Weekly-Sterke-krimp-export.pdf (174 KB)
Download

Goederenuitvoer krimpt met bijna 12% in mei

Volgens het CBS is het volume van de goederenuitvoer in mei met 12% gedaald ten opzichte van dezelfde maand vorig jaar. De krimp is kleiner dan in april (-13,8%). Het volume van de goedereninvoer was in mei 7,6% kleiner. De Nederlandse uitvoer leidt sterk onder de coronacrisis en de fors gedaalde olie- en gasprijzen. De krimp is niet de grootste ooit gemeten. In april 2009 viel de uitvoer met ruim 17% terug. Het CBS meldde ook dat in de eerste vier maanden van 2020 de uitvoer van goederen van Nederlandse makelij naar China met 16% is gestegen. Hoewel de handelscijfers iets positiever zijn dan in april, verwachten wij geen herstel. Ten eerste zijn de uit- en invoervolumes grillig. Het CBS paste bijvoorbeeld deze maand het uitvoercijfer van april aan van -11,2% naar -13,8%. Het is waarschijnlijk dat ook de mei-cijfers komende maand naar beneden worden bijgesteld. Ten tweede daalt de uitvoer sneller dan in 2009. Sinds maart dit jaar is de uitvoer met ruim 10% gekrompen, terwijl dit in de eerste drie maanden van de kredietcrisis 6% was. Ten derde neemt de uitvoer naar China weliswaar fors toe, maar het Chinese aandeel in de totale uitvoer is beperkt (4% in 2020). De handel met onze belangrijkste handelspartner Duitsland kromp juist sterk in mei. Volgens het Duitse statistiekbureau nam de invoer uit Nederland met zo’n 22% af. Wij denken dat de Nederlandse uitvoer dit jaar met 9% zal krimpen. Ook de invoer zal slinken, zij het minder sterk dan de uitvoer (-8,8% voor 2020). (Nora Neuteboom)

 

Groei Nederlandse economie steeds afhankelijker van productiviteit

De inzet van arbeid, kapitaal en productiviteitsverhogende ideeën zijn bepalend voor het langetermijngroeitempo van de economie. Onderzoek van het CBS naar de bevolkingsgroei rechtvaardigt de conclusie dat de bbp-stijging tegen 2050 vrijwel volledig zal leunen op de laatste twee componenten: de inzet van kapitaal en het innovatievermogen. De komende tien jaar neemt de bevolking volgens het CBS jaarlijks met 115.000 inwoners toe. In het decennium daarna zwakt dit af naar 60.000 inwoners per jaar. In 2040-2050 bedraagt de toename nog slechts 20.000. Daarmee komt de bevolking in 2050 uit op 19,3 miljoen inwoners, bijna 2 miljoen meer dan in 2020. De toename van de beroepsbevolking is met 200.000 naar 10,4 miljoen veel bescheidener. De jaarlijkse groei van de beroepsbevolking zwakt daarmee af naar 0,2%, de helft van het gemiddelde van de afgelopen tien jaar en een fractie van wat eerder gangbaar was. Tot de jaren negentig groeide de beroepsbevolking met meer dan 1,3%. Bij een beperkte groei van de beroepsbevolking neemt de inzet van arbeid hooguit toe als werknemers in deeltijd meer uren werken en ouderen langer aan het arbeidsproces deelnemen. Maar zelfs als dat gebeurt, zal de bijdrage aan de bbp-groei van de inzet van extra arbeid nihil zijn. Voor een hoog bbp-groeitempo is Nederland dus vooral aangewezen op de verbetering van de productiviteit. (Philip Bokeloh)

 

Vergadering EU-leiders over het herstelfonds zal niet leiden tot veel duidelijkheid

Aanstaande vrijdag en zaterdag (17 en 18 juli) komen de regeringsleiders op een Europese top bijeen om verder te onderhandelen over de meerjarenbegroting 2021-2027 en over het Europese herstelfonds van 750 miljard euro. Het doel is om politieke overeenstemming te vinden over het herstelfonds en de Europese begroting, zodat deze in januari 2021 geïmplementeerd kan worden. Wij verwachten dat de uitkomst van de Europese top een gezamenlijk communiqué zal zijn betreffende de grootte van het fonds en de verhouding leningen ten opzichte van giften, maar dat er nog veel onduidelijkheid zal bestaan over de exacte vorm van het herstelfonds (lees hier meer over onze verwachtingen betreffende het Europese herstelfonds).

Aan het totaalbedrag van 750 miljard euro zal naar onze verwachting niet worden getornd, omdat het een signaal van gebrekkige slagkracht af zal geven naar de financiële markten. De eis van de zogenaamde ‘vrekkige vier’ waaronder Nederland over het koppelen van de overdrachten aan striktere hervormingscondities die door de lidstaten worden gecontroleerd, zal naar verwachting door meerdere landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, niet geaccepteerd worden. Premier Rutte is enkel bereid akkoord te gaan met giften indien Nederland haar veto kan gebruiken om de allocatie van fondsen tegen te houden als Nederland het niet eens is met de hervormingsplannen van het ontvangende land. Dit zal de situatie naar onze verwachting onwerkbaar maken, waardoor wij denken dat er over dit punt geen akkoord zal zijn.

De ruimte voor onderhandeling zit vooral in (1) de verhouding leningen ten opzichte van giften, en in (2) de allocatiesleutel waarmee de uitkeringen in het fonds worden toegewezen. Met betrekking tot punt (1) denken wij dat, vanwege kritiek van de ‘vrekkige vier’ en Finland op het relatief grote aandeel van giften in het huidige voorstel, een verhouding zal worden afgesproken waarbij de hoeveelheid giften en leningen ongeveer gelijk is. Voor punt (2), de allocatiesleutel, verwachten we nog geen uitsluitsel. In het huidige voorstel van de commissie is de mate waarin een lidstaat in staat is de crisis te boven te komen leidend voor de ontvangsten uit het fonds. Dit wordt onder andere gemeten door werkloosheid – een maatstaf die zal leiden tot relatief veel fondsen voor Zuid-Europese landen t.o.v. Oost- en Noord- Europa. Volgens een grote groep lidstaten zou echter de verwachte economische schade door Covid-19 leidend moeten zijn. Voor Nederland betekent dit in beiden gevallen dat het een netto bijdrage levert. Ook Europese Raad-president Charles Michel stelt in een compromis gepubliceerd op 10 juli voor om een gedeelte van het fonds te alloceren op basis van de daadwerkelijke geleden schade door Covid-19, gemeten door bbp-groei. Het voorstel van de Raad zou leiden tot een kleinere Europese begroting en het behoud van de bestaande kortingen, waardoor de netto bijdragen van Nederland lager wordt.  (Floortje Merten en Sandra Phlippen)

 

Pensioenakkoord door de Kamer, weinig ruimte voor indexatie

Het onlangs door sociale partners gesloten pensioenakkoord kan op een meerderheid in de Eerste en Tweede Kamer rekenen. Naast de coalitiepartijen stemmen ook PvdA, GroenLinks en SGP in met de plannen. Het nieuwe pensioenstelsel kent kleinere buffers, zodat de uitkeringen voor alle generaties iets hoger, maar ook iets minder stabiel zullen zijn. Dankzij het nieuwe akkoord gaat de verhoging van de AOW-leeftijd nu definitief in een lager tempo. Ook hoeven fondsen waarvan de dekkingsgraad op 31 december 90% of hoger is, niet te korten. Toch zullen op 1 januari volgend jaar naar verwachting zo’n 500.000 tot 550.000 gepensioneerden met kortingen te maken krijgen, omdat de dekkingsgraad van hun pensioenfonds dan onder de 90% zal liggen.

Vanwege de lage dekkingsgraden zijn er weinig mogelijkheden om de pensioenen te indexeren totdat het nieuwe stelsel in 2026 ingaat. Indexatie kan alleen als de dekkingsgraad boven 110% ligt. Om dat niveau te bereiken moet de rente sterk stijgen. Een uitwijkmogelijkheid is er als de overheid en de sociale partners volgend jaar, wanneer zij nadere afspraken maken over de overgangsfase, de indexatieregels aanpassen. Aangezien dit de belangen van de huidige generatie werkenden schaadt, zal hier weinig draagvlak voor zijn. Het is waarschijnlijker dat bij sommige branches en bedrijven wordt gekozen voor een versnelde overgang naar het nieuwe stelsel. Hogere pensioenen kunnen dan al in 2023 of 2024 mogelijk zijn, mits de beleggingsresultaten daar ruimte voor bieden. (Pieter Rietman)

 

Laatste piek in minimumloon en uitkeringen

Elk half jaar worden het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen aangepast op basis van de recente ontwikkeling van de contractlonen. Volgende week zullen werknemers met een minimumloon en uitkeringsgerechtigden een substantieel hoger bedrag ontvangen. Zo stijgt het minimumloon dit half jaar met 1,6%, de AOW met 1,2% en de bijstand met 0,6%. Dit betekent een stijging van respectievelijk 2,7%, 3,5% en 2,8% op jaarbasis, wat grofweg overeenkomt met de contractloonontwikkeling van rond de 3% jaar-op-jaar vóór corona. Uit de negen in juni afgesloten CAO’s blijkt echter dat de contractloonstijging inmiddels is teruggevallen naar 1,9%. In de rest van 2020 en in 2021 zal de contractloonstijging volgens ons verder dalen naar 1 à 2%. Omdat de Wet minimumloon niet alleen een koppeling aan de actuele contractloonontwikkeling kent maar ook een correctiemechanisme heeft voor te hoge stijgingen in het verleden, betekent dit dat de halfjaarlijkse stijging van minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen per 1 januari 2021 waarschijnlijk nipt boven de 0% zal uitkomen. Bij een inflatie van naar schatting 1,1% op jaarbasis gaat een grote groep mensen er dan reëel op achteruit. Gezien de discussies over de verhoging van het minimumloon, het uitblijven van pensioenindexatie en de noodzaak om de consumptie te ondersteunen in tijden van corona belooft dit een maatschappelijk thema te worden. (Piet Rietman)

 

Sandra Phlippen, Chief Economist sandra.phlippen@nl.abnamro.com

Philip Bokeloh Senior econoom woningmarkt, philip.bokeloh@nl.abnamro.com

Nora Neuteboom, Senior econoom, nora.neuteboom@nl.abnamro.com

Piet Rietman, Econoom, piet.rietman@nl.abnamro.com

Floortje Merten, Associate Global Markets, Floortje.mertens@nl.abnamro.com