Ondanks corona en hoger arbeidsaanbod blijft mismatch op arbeidsmarkt aanwezig

door: Sonny Duijn , Sandra Phlippen , Edo van Uitert

Met het verlies van banen als gevolg van de coronapandemie, lijkt spoedig een eind te komen aan de krapte op de arbeidsmarkt. Uit een nieuwe arbeidsmarktindicator van ABN AMRO die de mismatch tussen vraag en aanbod op regionaal niveau analyseert, blijkt echter dat de mismatch nog nauwelijks is afgenomen. Bovendien kan deze als gevolg van de crisis standhouden of zelfs juist verder oplopen. Omscholing van personeel is cruciaal voor een flexibele arbeidsmarkt en gezond economisch herstel.

200605-Arbeidsmarktrapport-1.pdf (361 KB)
Download

Zie ook de gerelateerde publicatie in het economenvakblad ESB, te lezen via deze link

De krapte op de arbeidsmarkt, waardoor werkgevers tot vlak voor de coronacrisis nauwelijks aan geschikt personeel konden komen, begint te kantelen. Waar eind vorig jaar tegenover 1 openstaande vacature nog slechts 1,11 werkzoekenden stonden, is dit inmiddels opgelopen naar 1,23. Sinds de ‘lockdown’ half maart lijkt de spanning op de arbeidsmarkt te verminderen. Met meer werkzoekenden en minder vacatures zou het voor werkgevers eenvoudiger moeten worden om openstaande vacatures te vervullen.

De landelijke spanningsindicator van het CBS, en die van uitkeringsinstantie UWV dat een vergelijkbaar cijfer publiceert, vertelt echter maar een deel van het verhaal. De indicator geeft de verhouding weer tussen alle in Nederland aanwezige vacatures en werkzoekenden. Voor het grote plaatje zijn dergelijke landelijke indicatoren zeer belangrijk, maar ze gaan voorbij aan de vraag in welke mate gevraagde en aangeboden banen op elkaar aansluiten en in hoeverre werkzoekenden bereid zijn om grote afstanden naar een nieuwe werkgever af te leggen.

Nieuwe spanningsindicator

ABN AMRO heeft hierom een indicator ontwikkeld die zowel rekening houdt met aansluiting van de beroepsinteresse als de reisafstand. Hiermee krijgt de ‘krapte’ die het CBS en het UWV weergeven een diepere dimensie; gemeten wordt in feite wat de ‘mismatch’ is tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Het ligt immers voor de hand dat een werkzoekende kok geen potentiële match is voor een tandarts, net zoals een verpleegster uit Groningen niet zonder meer bereid is om een baan in een ziekenhuis in Maastricht te vervullen.

Juist in een ‘asymmetrische’ crisis als de huidige kan deze indicator zijn waarde bewijzen. Waar een plotselinge toename in de vraag naar zorgpersoneel in de algemene cijfers redelijk kan uitmiddelen met een afname van vacatures voor horecamedewerkers, wordt van de werkelijke spanning een beeld verkregen door regionaal naar de mismatches binnen beroepsgroepen te kijken.Hoewel het UWV en het CBS ook verscheidene indicatoren publiceren met krapte per regio en krapte per beroep, is er op landelijk niveau – voor zover wij weten – tot dusverre geen arbeidsmarktindicator die rekening houdt met de aansluiting tussen werkzoekende en vacature, met inbegrip van reisafstand en beroepsinteresse.

Onze methode wordt gestaafd door onderzoek van onder meer Manning en Petrongolo (2017) die laten zien dat vacatures snel minder aantrekkelijk worden gevonden naarmate de reisafstand toeneemt. Adams et. al. (2000) tonen aan dat vooral de reisafstand in combinatie met de aansluiting van beroepsvaardigheden bepalend zijn voor de succeskans bij het vervullen van vacatures. In Nederland is een werkzoekende bereid om gemiddeld 38 kilometer te reizen voor een baan (Duijn en Phlippen, 2019).

Zo bezien bestaat Nederland dus niet uit één arbeidsmarkt, maar uit duizenden hele kleine arbeidsmarkten. Die bepalen hoe groot de vijver is waaruit werkgevers kunnen vissen. De micro-gefundeerde indicator van ABN AMRO aggregeert de regionale krapte per gemeente tot een landelijke indicator. Het geeft per gemeente en per beroep aan voor hoeveel procent van de vacature geen enkele interesse is. Door deze deelcijfers te aggregeren wordt een landelijk beeld zichtbaar. Een één-op-één-vergelijking met traditionele indicatoren van het CBS en het UWV in termen van de mate van krapte is daarmee moeilijk. Het is gemakkelijker om de ontwikkeling van krapte over de tijd tussen de verschillende indicatoren te vergelijken (Zie de appendix voor een uitleg van de werking van de indicator van ABN AMRO – te vinden in de download).

Spanning nam veel sterker toe

De vergelijking van de ontwikkeling van de indicatoren van het CBS, het UWV en ABN AMRO blijkt dat de spanning op de arbeidsmarkt de afgelopen jaren veel sterker is toegenomen dan tot dusver werd aangenomen. De indicator van ABN AMRO geeft aan dat de mismatch op de arbeidsmarkt vanaf medio 2018 snel toeneemt om in december vorig jaar tot een kookpunt te komen. De traditionele krapte-indicatoren geven over diezelfde periode een betrekkelijk vlak beeld.

In de afgelopen drie jaar is het percentage vacatures waarvoor lokaal geen interesse onder werkzoekenden was, volgens onze indicator verviervoudigd van 3 procent begin 2017 naar 12 procent eind vorig jaar.[1] Dit impliceert echter niet dat 88 procent van de vacatures wel kan worden vervuld: het kan immers zo zijn dat een werkzoekende interesse heeft in beroepen in meerdere gemeenten, die diegene niet gelijktijdig kan uitvoeren. Het percentage onvervulbare vacatures is daarmee een onderschatting van de feitelijke mismatch.

Gevolgen uitbreken coronacrisis

Interessant is dat de krapte op de arbeidsmarkt sinds het uitbreken van de coronacrisis volgens alle indicatoren op een hoog niveau blijft. Dit is deels het gevolg van de van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), die een deel van de loonkosten compenseert van bedrijven die met een stevige omzetdaling te maken hebben. Inmiddels is via deze regeling voor ongeveer 8 miljard euro aan loonkostencompensatie toegezegd. Tegelijk wordt duidelijk dat de aanhoudende onvervulbaarheid van de vacatures niet louter een conjuncturele achtergrond heeft, maar ook een structurele: het werk dat de werkzoekende wil of kan doen, wijkt grotendeels af van welke banen in diens zoekgebied aanwezig zijn.

Opmerkelijk is bovendien dat de krapte volgens onze indicator tussen medio februari en eind april zelfs nog wat toenam. Vermoedelijk speelt hier een selectie-effect: als de meer generieke vacatures in bijvoorbeeld de horeca wegvallen, dan blijven de meer specialistische vacatures die mogelijk nog moeilijker vervulbaar zijn over, hetgeen de krapte doet toenemen. Inderdaad is volgens het UWV de laatste weken veruit de grootste krimp in vacatures in beroepen waarin routinematige taken worden verricht waarvoor geen hoge opleiding vereist is (UWV, 2020). Mede daarom was de vervulbaarheid van vacatures in april 2020 eigenlijk niet eens groter dan eind vorig jaar, zoals Figuur 2 ook aantoont. In Figuur 2 is tevens te zien dat het in de noordelijke provincies en Zeeland relatief moelijker is om aan personeel te komen dan in andere regio’s. Inmiddels beweegt het percentage onvervulbare vacatures gedaald nog altijd rond de 10 procent.

Verwachte ontslaggolf kan leiden tot tweespalt

Terwijl openstaande vacatures in groten getale worden teruggetrokken, steeg het aantal werkzoekenden in april nog nauwelijks. Dit zal echter een onhoudbare situatie blijken, als we ons realiseren dat in april 160.000 minder mensen betaald werk hadden en 41.000 mensen vanuit werk de WW in stroomden (CBS, 2020b). We zien naar schatting zo’n 16.000 extra mensen (ten opzichte van maart) die in april actief zoeken naar werk. In de eerste drie weken van mei komen daar nog 10.000 werkzoekenden bij. Eind mei zijn zo’n 333.000 mensen actief op zoek naar werk.

Nu de lockdown wordt versoepeld, begint het aanpassingsproces naar het ‘nieuwe normaal’ in onze anderhalvemetersamenleving. Hiermee veranderen ook de voorwaarden voor looncompensatie van de overheid, waaronder het deels verdwijnen van de ‘ontslagboete’ uit het eerste steunpakket. Aangezien veel bedrijven voorlopig niet naar hun oude omzetniveau terugkeren, zal het aantal werkzoekenden verder oplopen. Temeer omdat juist de sectoren die door de maatregelen worden geraakt relatief veel personeel hebben met kwetsbare arbeidsrelaties, zoals oproepkrachten in de horeca, aldus het UWV.

Nu de arbeidsmarkt dus ruimer wordt, zal de krapte in termen van vacatures versus werkzoekenden weliswaar afnemen, maar neemt de mismatch mogelijk toe. Dit is het gevolg van de aard van de crisis waarbij een aantal sectoren hard wordt geraakt, terwijl in andere sectoren het werk niet afneemt of zelfs groeit. Zolang de interesse van de ontslagen werknemers uit de getroffen sectoren niet aansluiten bij de vraag, of zolang zij niet bereid zijn om een baan op grotere afstand te aanvaarden, is het denkbaar dat het aantal niet vervulbare vacatures juist stijgt en onze indicator op een hoog niveau blijft.

Figuur 3 toont hoe zich deze dichotomie nu al aftekent. Voor bijvoorbeeld verpleegkundigen, intensive care-specialisten, bijstandsconsulenten, cybersecurityspecialisten en bijstandsconsulenten zijn er tussen begin februari en eind april vacatures bijgekomen en zijn er voor verkopers van aardappelen, groente en fruit nauwelijks vacatures verdwenen. Aan de andere kant zijn vele vacatures ingetrokken voor horecamedewerkers, winkelassistenten, kappers, taxichauffeurs, buschauffeurs. Ook verdwenen in totaal honderden banen voor verkoopmedewerkers in diverse productcategorieën. Volgens prognoses van het UWV blijft dit sterke onderscheid tussen deze sectoren voorlopig aanwezig, in ieder geval zolang de anderhalvemetersamenleving van kracht is (Figuur 4).

Als het om werkzoekenden gaat, is het beeld hetzelfde. Het aantal werkzoekenden op werk.nl dat gericht naar een baan in de bediening van de horeca zoekt, nam tussen 4 februari en 19 mei met liefst 60 procent toe (terwijl het aantal vacatures met 76 procent daalde), zoals te zien is in Figuur 5.

Een vergelijkbare omslag vond plaats bij buschauffeurs. Tegelijk is naar praktijkverpleegkundigen sinds het uitbreken van de coronapandemie juist veel meer vraag ontstaan, terwijl het aanbod van personeel flink is afgenomen.

Omscholing waar mogelijk

Voorzichtige inschattingen van de werkgelegenheidsontwikkelingen van het UWV laten zien dat de nu waargenomen verschillen tussen sectoren in de anderhalvemetersamenleving behoorlijk zijn. De vraag naar arbeid blijft in de meeste getroffen sectoren naar verwachting voorlopig dalen, terwijl die in de nu bloeiende sectoren blijft stijgen. En hoe meer werknemers uit getroffen sectoren binnen hun oude beroepsgroep blijven zoeken, hoe groter de kans is dat de mismatch gedurende het ‘nieuwe normaal’ op de arbeidsmarkt groeit.

Flexibiliteit op de arbeidsmarkt is zodoende cruciaal om groeiende onevenwichtigheden te voorkomen. Om ervoor te zorgen dat werknemers gemakkelijker naar andere sectoren overstappen, moeten van vraag naar en aanbod van beroepen beter op elkaar aansluiten. Omscholing is hiervoor de sleutel. Wanneer de mismatch blijft of zelfs toeneemt, kan dat straks het economisch herstel in de weg staan.

Gelukkig heeft de overheid aandacht voor het flexibiliseren van de arbeidsmarkt door bedrijven die van de NOW-regeling gebruikmaken te verplichten om werknemers te stimuleren om aan bij- en omscholing te doen. De overheid investeert daarnaast 50 miljoen euro in het crisisprogramma ‘NL leert door’, een onlineprogramma voor scholing en ontwikkeling, zo is te lezen in de beschrijving van de verlenging van de regeling.

Toch lijkt echter grover geschut nodig nu de mismatch op de arbeidsmarkt hardnekkig blijkt en de coronacrisis deze dreigt te versterken. Zo zouden bijvoorbeeld bestaande opleidings- en ontwikkelfondsen (O&O), die traditioneel gekoppeld zijn aan sectoren, hiervoor ingezet kunnen worden.

Conclusie

Arbeidsmarktkrapte was de afgelopen jaren een groeiend probleem in de Nederlandse economie. Nu zet het mogelijk een rem op het herstel na de eerste schokken van de coronacrisis. De regionale mismatches op de Nederlandse arbeidsmarkt blijven namelijk volop aanwezig. Dat toont de ABN AMRO arbeidsmarktindicator aan.

Om werkelijk te weten hoe lastig het voor werkgevers (of werknemers) is om een geschikte kandidaat (baan) te vinden, hebben we een micro-gefundeerde krapte-indicator ontwikkeld op basis van UWV-data. Deze indicator houdt rekening met de aansluiting van beschikbare vacatures op basis van zowel de beroepsinteresse als de reisbereidheid van werkzoekenden. Deze indicator toont tevens aan dat de krapte op de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren sterker is toegenomen dan uit de traditionele indicatoren blijkt.

Onze indicator, die de fractie van de vacatures meet waarvoor geen beroepsmatige interesse of reisbereidheid is, komt zover wij weten het dichtst mogelijk bij de reëele situatie van een werkgever (werkzoekende). De krapte op basis van deze micro-gefundeerde indicator blijkt harder gestegen dan eerder vanuit de traditionele macro-indicatoren werd aangenomen. De reden hiervoor is dat de landelijke krapte-indicatoren van het UWV en het CBS alleen een mismatch waarnemen in termen van aantallen werkzoekenden ten opzichte van openstaande vacatures, gemeten over het hele land en over alle beroepen samen.

Naar verwachting leidt de coronacrisis spoedig tot een sterke toename in werkloosheid. Omdat de werkgelegenheidsverschillen door aanpassingen op de anderhalvemetereconomie aanzienlijk zijn, kan de mismatch op de arbeidsmarkt hierdoor juist versterkt worden. Er lijkt grover geschut nodig voor omscholing dan de nu aangekondige maatregelen om de efficiency van de arbeidsmarkt te vergroten.

[1] In de samenstelling van de data over 2019 en 2020 zijn verbeteringen doorgevoerd ten opzichte van eerdere data. Daardoor kunnen deze percentages niet een-op-een gesteld worden. Echter verwachten wij wel dat deze data met elkaar te vergelijken zijn.

Met dank aan Jan van Ours, Robert Dur en Maarten Dekker voor waardevolle feedback.

 

Appendix en Literatuurlijst zijn te vinden in de download

200605-Arbeidsmarktrapport.pdf (362 KB)
Download