Covid-19: welke opkomende markten zijn het kwetsbaarst?

door: Marijke Zewuster , Arjen van Dijkhuizen , Anke Martens

  • Mondiale context: herstel van diepe covid-19-crisis is begonnen nu economieën heropenen
  • Covid-19-schok leidt tot recorduitstroom beleggingskapitaal in maart; daarna bescheiden herstel
  • Opkomende markten, en vooral exporteurs van grondstoffen, worden zwaar getroffen
  • Overheidsfinanciën verslechteren verder
  • Opkomend Azië: China leidt herstel na covid-19, maar externe tegenwind gaat nog niet liggen
  • Latijns-Amerika: het ergste is nog niet achter de rug
  • Opkomend Europa wordt geraakt door zwakte van eurozone, grondstoffen en handel
  • Wat zijn de kwetsbaarste opkomende markten?
200616-EM-Focus-Covid-19.pdf (478 KB)
Download

Mondiale context: herstel van diepe covid-19-crisis is begonnen nu economieën heropenen

Na de snelle verspreiding van covid-19 zijn er wereldwijd noodmaatregelen genomen, waaronder harde en zachtere lockdowns. Dit leidt tot een onvoorstelbare krimp van de wereldeconomie, vooral in het tweede kwartaal. Overheden reageren wereldwijd met grootschalige budgettaire en monetaire stimulering. De Fed heeft haar beleidstarief met 150 bp verlaagd tot 0-0,25% en heeft aangegeven de rente zo laag te houden tot tenminste 2022. Zij heeft ook toegezegd net zoveel activa aan te kopen als noodzakelijk is om het soepel functioneren van de markten te bevorderen. Om ondernemingen die in problemen verkeren van liquiditeit te voorzien, voert de Fed diverse kredietprogramma’s uit. De omvang hiervan kan oplopen tot USD 4 biljoen. De ECB heeft haar (al negatieve) beleidsrentes ongewijzigd gelaten, de indicatie van haar toekomstig beleid aangescherpt en haar programma van kwantitatieve verruiming fors uitgebreid, onder meer met het Pandemic Emergency Purchase Programme van EUR 1.350 miljard.

Ondanks deze en andere steunmaatregelen hebben we onze groeiramingen voor 2020 sterk verlaagd voor alle ontwikkelde en opkomende economieën die we volgen. Wat de ontwikkelde economieën betreft, verwachten we nu dit jaar een krimp van bijna 5% in de VS en bijna 7% in de eurozone. Onze groeiprognoses voor de opkomende markten (Emerging Markets – EM’s) voor 2020 hebben we ook sterk naar beneden bijgesteld, in totaal van +4,1% in januari naar -1,5% nu. Alleen voor enkele Aziatische landen voorzien we een bescheiden positieve groei dit jaar. Dat geldt onder andere voor China, al gaan we voor dit land nu uit van een groei van 2% tegen eerder nog bijna 6%. Voor de meeste opkomende economieën verwachten we dit jaar een negatieve groei, zij het met sterke onderlinge verschillen. De hardste klappen vallen volgens ons in Latijns-Amerika, gevolgd door opkomend Europa en opkomend Azië.

Positief is dat steeds meer economieën geleidelijk weer opengaan. China voert het herstel van de industrie na covid-19 aan. Dankzij de heropening van economieën voorzien we een scherp wereldwijd herstel in het derde kwartaal. De vooruitblikkende inkoopmanagersindices (PMI’s) wijzen ook in deze richting. Dit perspectief heeft zich ook vertaald in een verbeterd sentiment op de financiële markten. Dat neemt niet weg dat we in ons basisscenario voor de wereldeconomie ervan uitgaan dat na een opleving halverwege dit jaar de bedrijvigheid weer afzwakt. Hiervoor zien we meerdere redenen: 1) de exit wordt een geleidelijk proces, 2) mogelijk gaat dit proces met horten en stoten, 3) op de korte termijn is er geen wondermiddel (zoals een vaccin), 4) de consument blijft voorzichtig en 5) tweede-ronde-effecten (zoals stijging van werkloosheid en faillissementen) werken nog wel even door (klik hier voor meer achtergrondinformatie over onze scenario’s voor de wereldeconomie). Na een forse krimp in 2020 groeit de wereldeconomie naar verwachting in 2021 in een boventrendmatig tempo; dit kan hoofdzakelijk aan basiseffecten worden toegeschreven. Voor de opkomende markten voorzien we een groeiversnelling tot boven 5% volgend jaar. De pandemie laat echter ook hier haar sporen na: het totale bbp van de opkomende markten zal eind 2021 circa 5% lager zijn dan in ons basisscenario van voor de covid-19-uitbraak.

Covid-19-schok leidt tot recorduitstroom in maart, gevolgd door bescheiden herstel

De covid-19-schok heeft de opkomende markten ook via het mechanisme van kapitaalstromen hard geraakt. Dit voorjaar verslechterde het marktsentiment drastisch toen het virus zich snel en op grote schaal buiten China verspreidde. Hierdoor nam de risicoaversie uitzonderlijke proporties aan en gingen in feite alle beleggingsmarkten wereldwijd hard onderuit. Extreem risicomijdend gedrag op de internationale kapitaalmarkten leidt doorgaans tot een uitstroom van beleggingskapitaal (van niet-ingezetenen) uit de opkomende markten die als een risicovolle beleggingscategorie worden beschouwd. Volgens gegevens van het Institute of International Finance (IIF) haalden (buitenlandse) marktpartijen in maart voor een recordbedrag van in totaal USD 83 miljard aan beleggingskapitaal (zowel schuldpapier als aandelen) weg uit de opkomende markten. De uitgaande beleggingsstromen waren hiermee in maart hoger dan in enige maand tijdens de wereldwijde financiële crisis van 2008-09, toen in oktober 2008 (kort na de ineenstorting van Lehman Brothers) het oude record van USD 63 miljard werd bereikt. Hierbij plaatsen we wel de kanttekening dat eind 2008 de kapitaaluitstroom vier maanden op rij aanhield, terwijl in de huidige crisis beleggers in april en mei weer voorzichtig terugkeerden naar de opkomende markten.

Dit past allemaal in het beeld dat marktpartijen in juni portefeuilles ongekend snel moesten aanpassen omdat de covid-19-schok volledig onverwacht kwam. De wereldwijde financiële crisis van 2008-09 ontwikkelde zich veel langzamer. De omvangrijke uitstroom van beleggingskapitaal in maart werd in alle opkomende regio’s gevolgd door een bescheiden herstel (van zowel schuldinstrumenten als aandelen) in april en mei. In bepaalde landen blijft de situatie echter langer gespannen; zo blijven in Brazilië, Turkije, Zuid-Afrika, Maleisië en Thailand de beleggingsstromen (zowel aandelen als vastrentende waarden) nog negatief.

Dit past allemaal in het beeld dat marktpartijen in juni portefeuilles ongekend snel moesten aanpassen omdat de covid-19-schok volledig onverwacht kwam. De wereldwijde financiële crisis van 2008-09 ontwikkelde zich veel langzamer. De omvangrijke uitstroom van beleggingskapitaal in maart werd in alle opkomende regio’s gevolgd door een bescheiden herstel (van zowel schuldinstrumenten als aandelen) in april en mei. In bepaalde landen blijft de situatie echter langer gespannen; zo bleven in Brazilië, Turkije, Zuid-Afrika, Maleisië en Thailand de beleggingsstromen (zowel aandelen als vastrentende waarden) in april en/of mei nog negatief.

Ondanks enkele positieve signalen worden opkomende markten zwaar getroffen

In de eerste maanden van dit jaar kampten de opkomende markten niet alleen met een scherpe daling van de buitenlandse vraag en grondstofprijzen, maar gingen ze uiteraard ook gebukt onder de gevolgen van strenge nationale lockdownmaatregelen. Voorts leidde een toegenomen risicoaversie tot een drastische terugval van beleggingsstromen en een sterke depreciatie van veel valuta’s.

Meer recent laten verschillende marktindicatoren in opkomende markten een herstel zien. Buitenlands kapitaal heeft de weg naar de opkomende markten teruggevonden, opkomende valuta’s hebben een deel van het eerdere verlies goedgemaakt, de grondstofprijzen zijn opgeveerd, de CDS-spreads zijn weer wat gedaald en de aandelenkoersen zijn in veel belangrijke opkomende landen gestegen. Dankzij de toegenomen monetaire stimulering in de ontwikkelde landen en de positieve signalen uit de VS en China nam de risicoaversie af en kregen beleggers weer oog voor de risicovollere beleggingen in opkomende markten. De dramatische initiële gevolgen van de coronapandemie zijn hierdoor voor een deel ongedaan gemaakt. Naar onze mening is het echter nog te vroeg om nu al de conclusie te trekken dat het ergste achter de rug is. De opkomende markten profiteren vooral van de nog langer lagere rente in een periode waarin de risicoaversie afneemt. De opkomende markten profiteren vooral van de nog langer lagere rente in een periode waarin de risicoaversie afneemt. Gegeven de resterende onzekerheden is het goed mogelijk dat de risicoaversie van tijd tot tijd opflakkert en de condities op de financiële markten weer verkrappen.

De economische malaise wordt verergerd door het feit dat in veel opkomende markten de virusuitbraak nog niet over het hoogtepunt heen is. Bovendien is de capaciteit om de verspreiding van covid-19 in te dammen vaak beperkt omdat het zorgstelsel onderontwikkeld is. Dit kan ertoe leiden dat social distancing en andere maatregelen langer in stand moeten worden gehouden. Oplaaiende politieke en maatschappelijke spanningen kunnen ook het economisch herstel schaden. De budgettaire ruimte om de economische gevolgen op te vangen is in veel opkomende landen in de afgelopen tien jaar afgenomen. Dit geldt vooral voor grondstofexporterende landen. Positief is dat de inflatie in veel opkomende landen laag is, zodat er ook hier ruimte voor omvangrijke monetaire verruiming is.

Het coronavirus brengt in veel opkomende markten de precaire toestand van het zorg- en onderwijssysteem en de enorme inkomensverschillen pijnlijk aan het licht. Mensen die in de informele economie werkzaam zijn, hebben het sterkst te lijden onder de lockdownmaatregelen en hebben het minst toegang tot goede zorg. En mensen die pas kortgeleden tot de middenklasse zijn opgeklommen, worden mogelijk weer teruggeworpen in armoede. Dit alles verhoogt het risico van maatschappelijke onrust.

In veel opkomende markten zal het tekort op de lopende rekening naar verwachting toenemen. De mondiale vraag blijft voorlopig zwak, met als gevolg dat de grondstofprijzen slechts een beperkt herstel zullen laten zien. Het toerisme trekt naar verwachting niet op korte termijn aan en een herstel van de inkomensoverdrachten van arbeidsmigranten komt waarschijnlijk evenmin snel op gang. Energie-exporterende landen zoals Nigeria, Rusland en Saoedi-Arabië zien hun exportinkomsten met een derde tot de helft slinken, terwijl exporteurs van industriële en agrarische grondstoffen met scherpe prijsdalingen en een terugval van de buitenlandse vraag worden geconfronteerd. Voorbeelden zijn Peru en Chili (exporteurs van metalen) waar industriële grondstoffen de helft van de exportinkomsten vormen, en Zuid-Afrika waar dit 25% is. Daar staat een daling van de import tegenover, maar die is in veel landen onvoldoende om te compenseren voor de daling van de export.

Omvangrijke multilaterale steunprogramma’s van onder meer het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken zullen voor enige verlichting zorgen, maar kunnen niet voorkomen dat de meeste opkomende markten in een diepe recessie belanden. Veel opkomende landen gaan al gebukt onder een hoge schuldenlast en hebben al moeite om hun rente- en aflossingsverplichtingen na te komen. Sinds de uitbraak van de pandemie hebben het IMF, de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken aan 66 landen noodfinanciering verstrekt voor een totaalbedrag van USD 23,6 miljard. Met uitzondering van een schuldverlichting van USD 200 miljoen, hoofdzakelijk voor landen in Sub-Sahara-Afrika, is dit bedrag beschikbaar gesteld in de vorm van liquiditeitssteun onder het Rapid Financing Instrument (RFI) en de Rapid Credit Facility (RCF) of via de verhoging van bestaande regelingen. Aan deze financiering zijn in de meeste gevallen geen of weinig voorwaarden verbonden. De rente is laag en de aflossingsvrije periode is lang. Dit neemt niet weg dat de overheidsschuld en de buitenlandse schuld van deze landen oplopen, terwijl structurele hervormingen naar verwachting naar de achtergrond verdwijnen.

Overheidsfinanciën verslechteren verder

Om de economische klap op te vangen, groeit de schuldenberg wereldwijd in snel tempo. Overheden, bedrijven en huishoudens zien hun inkomsten afnemen. Hogere begrotingsuitgaven moeten de pijn van de crisis verzachten. Dit gebeurt in zowel de ontwikkelde economieën als de opkomende markten. In het algemeen is in opkomende markten de capaciteit om schokken te absorberen, echter geringer dan in ontwikkelde economieën. Hun absorptiecapaciteit is bovendien minder groot dan tijdens de wereldwijde financiële crisis: in 2008 hadden de grote opkomende markten gemiddeld een klein begrotingsoverschot, maar in 2019 hadden ze een tekort van gemiddeld 2%. De situatie is het sterkst verslechterd in energie-exporterende landen. Landen zoals Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten kunnen niet langer terugvallen op forse begrotingsoverschotten, die ooit de norm waren. Ook bij exporteurs van metalen zoals Chili zien we een omslag van een groot overschot in 2008 naar een omvangrijk tekort in 2019. Hierdoor is de overheidsschuld van landen als Argentinië, Chili, Ecuador, Kazachstan, Roemenië, Rusland en Zuid-Afrika in de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. Overigens is het niveau van de overheidsschuld van Rusland in vergelijking met die van bijvoorbeeld Argentinië nog altijd gering.

Het gemiddelde begrotingstekort loopt naar verwachting op van 3% van het bbp vóór de pandemie naar 7% dit jaar. In landen zoals Brazilië, Egypte, Peru en Zuid-Afrika stijgt het tekort waarschijnlijk zelfs tot boven 10% van het bbp. Landen die van grondstoffen afhankelijk zijn, worden harder getroffen. Olie-exporterende landen, die ook nog eens een halvering van de olieprijs ten opzichte van eind 2019 moeten verwerken, hebben het bijzonder zwaar te verduren. Omdat de begrotingsinkomsten uit de productie van grondstoffen zijn ingestort, nemen in deze landen het begrotingstekort en de overheidsschuld gemiddeld verder toe. Voor al deze landen geldt dat de olieprijs onder het budgettaire break-evenpunt ligt. Deze landen moeten ofwel een beroep op hun staatsinvesteringsfonds doen of andere financieringsbronnen aanboren. In veel landen in het Midden-Oosten krijgt de trend van verslechterende overheidsfinanciën die al zo’n tien jaar zichtbaar is, hiermee een verder vervolg. Hun positie is vaak nog wel vrij comfortabel, maar hun absorptiecapaciteit is in vergelijking met de jaren van de wereldwijde financiële crisis wel afgenomen. Dit jaar nemen de overheidsschulden naar verwachting weer fors toe. Gelukkig hebben de meeste grotere opkomende landen een lage uitgangsbasis en is hun overheidsschuld nog beheersbaar. Daarentegen blijft de overheidsschuld van landen zoals Argentinië, Brazilië, Colombia, Egypte, Hongarije, Libanon, Maleisië, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne naar verwachting (zeer) hoog.

In opkomende markten waar het bedrijfsleven onder een forse buitenlandse schuldenlast gebukt gaat, is mogelijk overheidssteun in een bepaalde vorm nodig. In dat geval nemen de voorwaardelijke verplichtingen van de overheid toe en neemt de kredietwaardigheid van het betreffende land wellicht af. De verslechterende kredietwaardigheid komt overigens al tot uitdrukking in het verbazingwekkende aantal afwaarderingen door de drie grote kredietbeoordelaars (Moody’s, S&P en Fitch). Sinds begin dit jaar is van een recordaantal van 37 landen de rating verlaagd, terwijl slechts drie landen een hogere rating kregen. In de laatste maanden van 2019 waren de opwaarderingen nog in de meerderheid. Tot de afgewaardeerde landen behoren belangrijke opkomende markten zoals Argentinië, Colombia, India, Mexico, Nigeria en Zuid-Afrika.

Opkomend Azië: China leidt herstel na covid-19, externe tegenwind gaat nog niet liggen

De covid-19-schok drukt een duidelijke stempel op de economische groei in opkomend Azië, hoewel de autoriteiten in vooral Noord-Azië (China, Zuid-Korea en Taiwan) de pandemie relatief snel onder controle kregen. De exportgerichte Aziatische opkomende economieën ondervinden hinder van de ineenstorting van de wereldeconomie en -handel. Daarnaast zien ze zich geconfronteerd met covid-19-gerelateerde vraag- en aanbodschokken, krappere financiële condities, opdrogende toeristenstromen en/of allerlei verstoringen in toeleveringsketens. Voor exporteurs van grondstoffen komt hier nog de daling van de grondstofprijzen bij. We hebben onze groeiramingen voor alle Aziatische opkomende landen verlaagd, in het bijzonder voor India (rommelige, langdurige lockdown), Thailand en de Filippijnen (populaire toeristische bestemmingen), Maleisië (exporteur van olie) en Singapore en Hongkong (handelscentra). Voor China voorzien we, na de forse krimp van 6,8% j-o-j in het eerste kwartaal, een herstel in het tweede kwartaal. Wel hebben we onze groeiraming voor China voor 2020 naar beneden bijgesteld tot 2% omdat de externe tegenwind aanwakkert. Taiwan is een positieve uitschieter: het is erin geslaagd om covid-19 in te dammen en is relatief sterk gepositioneerd in hightech toeleveringsketens. We verwachten nu dat de economische groei in de regio inzakt van 5,1% in 2019 tot een meerjarig laagtepunt van 0,5%, om vervolgens mede door basiseffecten te versnellen tot circa 6,5% in 2021. Dit houdt in dat opkomend Azië, ondanks de sterke vertraging dit jaar, beter blijft presteren dan andere regio’s. Dit vloeit voor een deel voort uit het over het algemeen behoedzaam beleid dat ruimte creëert om in moeilijke tijden de budgettaire en monetaire teugels te laten vieren. Onze inschatting is dat eind 2021 het bbp van opkomende Azië 4,3% lager is dan in ons basisscenario van voor het coronatijdperk.

Nu economieën worden herstart, leidt China het herstel in de industrie. In april vertoonde de industriële productie weer een positieve groei op jaarbasis. De autoproductie herstelt zich krachtig en de bouw blijft goed op peil. De dienstensector trekt ook aan, al blijven bepaalde consumentgerelateerde activiteiten zoals horeca en transport achter. De particuliere consumptie en de private investeringen zijn nog zwak maar tonen wel tekenen van verbetering, mede gesteund door de toegenomen monetaire en budgettaire stimulering (Beijing heeft overigens voor het eerst in 30 jaar geen groeidoelstelling voor het lopende jaar vastgesteld). Dat China de weg omhoog weer is ingeslagen, blijkt ook uit de sterke stijging van de PMI’s voor de verwerkende industrie en de dienstensector ten opzichte van het laagtepunt van februari. In andere Aziatische opkomende economieën ligt de PMI voor de verwerkende industrie echter nog ver onder 50. Dit weerspiegelt de schokken die de covid-19-uitbraak veroorzaakte in zowel de buitenlandse als de binnenlandse vraag. Alle PMI’s voor de Aziatische export zijn sterk gedaald en nog steeds zwak. Dit onderstreept de belangrijkste risico’s voor onze vooruitzichten voor de regio: een langer dan verwacht zwak blijvende groei van de wereldeconomie en -handel en escalerende spanningen tussen de VS en China in de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De nieuwe veiligheidswet die China in Hongkong wil invoeren, heeft daarbij olie op het vuur gegooid.

Latijns-Amerika: het ergste is nog niet achter de rug

Latijns-Amerika wordt hard geraakt door de coronapandemie en lijkt ook slecht voorbereid te zijn op de gevolgen. Begin dit jaar gingen we er nog van uit dat de economische groei in Latijns-Amerika zou verbeteren van -0,4% in 2019 naar +1,2% in 2020. Inmiddels rekenen we op een krimp van bijna 8%, waarbij de zwaarste klap in het tweede kwartaal valt. In de meeste landen blijft de groei echter ook in het derde kwartaal negatief, omdat de pandemie het hoogtepunt nog niet heeft bereikt. Op grond van onze visie op de ontwikkeling van de wereldeconomie verwachten we dat het herstel in het vierde kwartaal geleidelijk op gang komt en in 2021 aan kracht wint. In de meeste landen zal dit echter niet voldoende zijn om te compenseren voor de groeidaling in 2020. Overigens verkeerden veel landen al voor de uitbraak van covid-19 in een slechte staat. Het einde van de grondstofhausse in 2014 luidde, in combinatie met ongunstige politieke ontwikkelingen, in de meeste landen tot een economische vertraging, waarbij Argentinië, Brazilië en Venezuela zelfs in een diepe recessie terechtkwamen. Hierdoor stagneerde per saldo de groei in de regio tussen 2014 en eind 2019. De geringe groei en de lagere grondstofprijzen droegen in de afgelopen jaren ook bij aan een hernieuwde verslechtering van de begrotingspositie. Hierdoor is de regio slecht voorbereid om de economische gevolgen van de lockdown, de mondiale vraaguitval en de gedaalde grondstofprijzen op te vangen.

Kijken we naar de afzonderlijke landen dan bevindt Argentinië zich al sinds 2016 bijna onafgebroken in een recessie en probeert het, net als Ecuador, zijn staatsschuld te heronderhandelen. Brazilië is nog niet volledig hersteld van de recessie van 2015-16. De overheidsschuld is, ondanks hervormingsinitiatieven, niet gedaald en stijgt naar verwachting dit jaar tot 90% van het bbp. Mexico presteerde tot vorig jaar redelijk goed. Door de onzekerheid omtrent het economisch beleid van de eind 2018 verkozen linkse president Lopez Obrador en de handelsconflicten met de VS kromp de Mexicaanse economie in 2019 echter met 0,3%. Chili en Peru zagen de economische groei ook sterk teruglopen. Politieke en sociale onrust speelde deze Andes-landen, en ook Colombia, parten in het laatste kwartaal van 2019. Als gevolg hiervan vertraagde de economische groei en daalden de valuta’s van deze landen in waarde tegenover de dollar. De algemene thema’s van de protesten van vorig jaar waren de maatschappelijke onvrede over corruptie, het onderwijs- en zorgsysteem en de economische ongelijkheid in het algemeen. Deze protesten kunnen makkelijk weer oplaaien nu door de ernstige economische gevolgen van de uitbraak van covid-19 de bestaande structurele problemen verergeren. Deze structurele problemen blijven ook op de middellange termijn de groei remmen.

Opkomend Europa wordt geraakt door zwakte van eurozone, grondstoffen en handel

De gevolgen van de coronapandemie voor de economische groei zijn in opkomend Europa, met een verwachte krimp van gemiddeld bijna 5%, iets minder negatief dan in Latijns-Amerika. De regio Centraal- en Oost-Europa ondervindt vanaf meerdere fronten nadelige gevolgen: vraaguitval vanuit de eurozone en wereldwijd, problemen in de waardeketen van de verwerkende industrie, grootschalige kapitaaluitstroom en effecten van lockdown- en beperkende maatregelen op de binnenlandse vraag. Bij de bestrijding van de economische teruggang hebben landen zoals Hongarije die al met een relatief hoog begrotingstekort en hoge overheidsschuld kampen, minder ruimte om hun begrotingstekort en schuldenlast verder te laten oplopen en hun uitgaven te verhogen dan landen zoals Tsjechië met een geringere schuldpositie. Energie-exporterende landen binnen het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), zoals Rusland en Kazachstan, hebben zwaar te lijden onder de lage prijzen van en vraag naar grondstoffen. Een vat Brent-olie is met circa USD 40 nu ongeveer 40% goedkoper dan aan het begin van het jaar. Landen die sterk van een terugkeer van kapitaalstromen afhankelijk zijn (o.a. Turkije) kennen ook moeilijke tijden. De Turkse hoop op een krachtig herstel na de valutaonrust in 2018 en de vrijwel volledige stagnatie van de economie in 2019 werd de bodem ingeslagen. Hoewel de groeiramingen uiterst onzeker zijn, lijkt een forse recessie in opkomend Europa onafwendbaar. We verwachten dat het bbp, na een krimp van bijna 5% dit jaar, in 2021 met 3,2% stijgt, enerzijds gesteund door basiseffecten maar anderzijds geremd door hernieuwde zwakte doordat consumenten voorzichtig blijven en tweede-ronde-effecten (o.a. stijging van werkloosheid en faillissementen) zich manifesteren. Eind 2021 zal het bbp van de regio circa 7,5% lager zijn dan in ons scenario van voor de coronacrisis en 2% lager dan eind 2019.

Wat zijn de kwetsbaarste opkomende markten op basis van onze risicometer?

Zoals we in deze publicatie hebben uiteengezet, worden door de covid-19-uitbraak grondstof-exporterende landen met een zware schuldenlast en andere landen met een groeimodel dat sterk van inkomende kapitaalstromen afhankelijk is, het zwaarst getroffen. Landen met een omvangrijk tekort op de lopende rekening dat niet door directe buitenlandse investeringen wordt gedekt, met een hoge (buitenlandse) schuldpositie, geringe valutareserves en lage binnenlandse spaarquote zijn het gevoeligst voor kapitaaluitstroom. Politieke instabiliteit en onverstandig economisch beleid kunnen de negatieve impact versterken.

Op basis van bovengenoemde criteria hebben we de opkomende markten in vier categorieën verdeeld. De categorie ‘extreem kwetsbaar’ (deze landen zijn in onderstaande tabel rood gemarkeerd) is qua kredietwaardigheid en economische groei het gevoeligst voor een verslechtering van de mondiale situatie. Voor de categorie ‘heel kwetsbaar’ (oranje) geldt dat ongunstige mondiale omstandigheden de valuta- en groeivooruitzichten negatief beïnvloeden, maar dat het risico van een significante verslechtering van de kredietwaardigheid, geringer is. In de categorie ‘gematigd kwetsbaar’ (geel) vallen landen die van een algeheel negatief sentiment ten aanzien van opkomende markten nadeel kunnen ondervinden, maar waar de gevolgen vermoedelijk slechts van korte duur zijn en de groeiperspectieven gunstig blijven. Bij onze indeling beperken we ons tot de grotere opkomende markten (zie tabel). Veel (kleinere) landen met een zware schuldenlast hebben al moeite om aan hun aflossingsverplichtingen te voldoen en hun schuldpositie is alleen maar verder verslechterd. Deze landen zijn sterk afhankelijk van multilaterale en bilaterale steun, waaronder ook kwijtschelding van schulden, en vallen zonder enige twijfel in de categorie ‘extreem kwetsbaar’ of ‘heel kwetsbaar’, maar hebben we in onze tabel niet opgenomen.

In 2019 hadden slechts enkele landen een tekort op de lopende rekening van meer dan 3% van het bbp en beschikten de meeste landen over ruime valutareserves. Inmiddels is de lopende rekening van meerdere grondstofexporterende landen verslechterd. Verontrustender is de verwachte verdere toename van de buitenlandse (bedrijfs)schulden. Een verhouding tussen buitenlandse schuld en uitvoer (goederen, inkomens en diensten) van meer dan 2 is lang beschouwd als het niveau waarop de kans toeneemt dat landen problemen krijgen om aan hun schuldverplichtingen te voldoen. Het aantal landen in onze tabel met een schuld-uitvoerverhouding boven 2 is gestegen van zes in 2019 naar tien in 2020. Al deze landen beschouwen we nu als ‘extreem kwetsbaar’ (Argentinië, Ecuador, Libanon en Venezuela) of ‘heel kwetsbaar’ (Brazilië, Chili, Colombia, Egypte, Indonesië en Turkije). Enkele landen met een schuld-uitvoerverhouding van minder dan 2 maar met onder meer een hoge en stijgende overheidsschuld (Zuid-Afrika en Oekraïne) hebben we ook ingedeeld in de categorie ‘heel kwetsbaar’. Wanneer om welke reden dan ook de risicoaversie weer toeneemt, zullen deze landen volgens ons het meest te lijden hebben van een nieuwe periode van kapitaaluitstroom en valutazwakte. Dit zou hun toch al zwakke economische basis verder uithollen.

Andere tabellen zijn te vinden in de download

200616-EM-Focus-Covid-19.pdf (478 KB)
Download