Bij D van duurzaam hoort P van prijs

door: Pierre Berntsen

Dit artikel is gebaseerd op een interview in Boerderij en Food&Agribusiness.

De uitbraak van het Corona-virus raakt de economie en olieprijzen hard en zet druk op afzetmarkten voor Nederlandse landbouwproducten. Het is maar een kleine greep uit de grote gevolgen van Corona op de economie. Als de mondiale economie geraakt wordt dan raakt dat ook de Nederlandse land- en tuinbouw flink. Daarnaast is sprake van logistieke problemen en vraaguitval. De wereldwijde economie heeft invloed tot op het Nederlandse boerenerf, via de afzet van producten en de prijzen die voor een belangrijk deel internationaal tot stand komen.
Net zo goed is het huidige verdienmodel in de landbouw een gegeven dat lastig te veranderen is in een open markt. Boeren en tuinders willen best verduurzamen maar het ontbreekt hen aan marge om de meerkosten te betalen. Idealiter worden de meerkosten door de markt betaald. We noemen dat de ‘koninklijke route’: De meerkosten van verduurzaming verwerken in de prijs.

Hoe kun je meerkosten die boeren maken voor dierenwelzijn of scherpere milieueisen doorberekenen?

Dat is lastig, maar op langere termijn wel de belangrijkste route. Als duurzaam produceren meer kosten met zich meebrengt dan moet daar voor betaald worden. Anders is het niet volhoudbaar. Daar is iedereen het wel over eens. In de afgelopen decennia ging het te vaak alleen over de P van prijs. Lage prijzen voor voedsel was een doel van de hele voedselketen tot en met de consument en dat werd voornamelijk bereikt door verbetering van productiemethoden en schaalvergroting. Daar is iedereen bij geweest en het heeft Nederland en de agrarische sector veel gebracht. Een goed en goedkoop voedselpakket en positie als gidsland op het gebied van voedselproductie. De vraag is nu hoe de sector kan voldoen aan de toenemende eisen rond verduurzaming en kringlooplandbouw in een markt die vooral naar de prijs kijkt.

Hoe kunnen boeren verduurzamen en toch hun verdiensten in stand houden?

Als ondernemer kun je kiezen uit vier routes, je zult er veelal meerdere nodig hebben omdat één route niet voldoende is. De eerste is de koninklijke route en er zijn inmiddels ontelbaar bewijzen dat deze route werkt. Planet Proof zuivel, het beter leven keurmerk, biologische producten, concepten of merktomaatjes zijn slechts een paar voorbeelden. De tweede route is een heel vertrouwde; meer produceren met minder grondstoffen. Deze route spaart het milieu en verlaagt de kosten; win-win. Hier zit je ook op het domein van smart farming. Meer gebruik maken van data en technologie om efficiënter te produceren.  In deze route valt ook hergebruiken van reststromen, een versterking van de  circulaire landbouw.
De derde  route is anders werken zonder dat de kostprijs substantieel toeneemt.  Dan heb je het over zaken als niet kerende grondbewerking, grondverbetering, verhogen van de leeftijd van melkkoeien, KalfOK, dieren met hoge gezondheid, maar ook de uitstraling van je bedrijf als visitekaartje van de landbouw en de dialoog met je omgeving.

Doorberekenen van meerkosten dus. Zijn dat de eerlijke prijzen waar veel over gesproken wordt?

Eerlijke prijzen bestaan niet, zeker niet als je wereldwijd kijkt. Er is voor veel producten een mondiale markt waar tekorten en overschotten elkaar afwisselen. Die krachten zijn te groot, daar ontkom je als Nederlands bedrijf niet aan. Maar het gaat er om dat je de meerkosten ten opzichte van reguliere producten terugkrijgt uit de markt. De koninklijke route betekent niet dat je altijd je kostprijs vergoedt krijgt, maar gemiddeld wel. In een vaste afzetketen gaat dit beter dan in een open markt. Je kunt dat de toegevoegde waarde beter behouden. Daarnaast zal concurrentie zal altijd aanwezig blijven dus als ondernemer moet je je blijven verbeteren.

Werkt dat in elke sector?

In principe wel, maar er zijn wel grote verschillen. In de akkerbouw is het lastig omdat graan en suiker typische commodity’s zijn. Bij aardappelen en uien zijn concepten iets makkelijker te realiseren. Weg van alleen massaproducten kan wel. Het is knap wat Avebe heeft bereikt met de omschakeling naar steeds meer hoogwaardige foodproducten. De Nederlandse zuivel is een ander voorbeeld van opschalen naar het topsegment. Het bewijs is de hogere melkprijs die gemiddeld toch 2 tot 3 cent hoger is dan het EU-gemiddelde. Daarbij is wel  de hele keten aan zet. Het toevoegen van waarde begint al op het boerenerf.

Kost dat niet tijd en geld?

Ja, en daarom zijn aanvullende financiële prikkels en compensaties nodig. Dat is de vierder route. Denk aan Fiscale regelingen zoals Vamil, Milieu-investeringsaftrek en groenfinanciering. En subsidies zoals SDE en vergroening via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Denk ook aan beloningen die niet direct aan een product zijn toe te rekenen, maar wel aanvullend inkomen bieden zoals vergoedingen voor CO2 vastlegging en natuurbeheer.

Dat zijn toch hoogstens aanvullingen?

Klopt, maar wel belangrijk. De benodigde vergoeding zal immers niet altijd volledig via productverkoop haalbaar zijn. Denk aan lagere saldo’s op natuurhectares. Dat kan ook via subsidieregelingen lopen en zal per ondernemer en regio verschillen. Deze routes werken niet alleen voor boeren, ook beleidsmakers kunnen via deze bril naar verduurzaming kijken. Als we echt werk van willen maken van verduurzaming moeten we het verdienmodel van boeren bewaken. Zonder boeren lukt het gewoonweg niet.

Wat is de rol van de bank in dit verband?

Juist dat verdienmodel kunnen wij helpen bewaken. Wij kijken bij alle plannen of dat past bij de financiering. En we toetsen of het een verhaal is dat de ondernemer kan volhouden. We hebben net als onze klanten belang bij een robuust bedrijf dat toekomstbestendig is. We willen overfinanciering voorkomen. Maar ook wij hebben de wijsheid niet in pacht, nieuwe verdienmodellen moeten zich vaak nog bewijzen.