Bouwsector sluit 2019 mager af

door: Madeline Buijs

In het vierde kwartaal van 2019 kromp de bouwproductie voor het eerst in vijf jaar, namelijk met 0,7 procent in vergelijking met een jaar eerder. Het cijfer toont na jarenlange groei een duidelijke omslag in de laatste maanden van vorig jaar. In 2019 als geheel steeg de bouwproductie nog met 4,7 procent. De laatste keer dat een krimp werd gemeten was in het derde kwartaal van 2014. Dit is te zien in onderstaande grafiek.

De krimp komt niet geheel onverwacht. Het aantal afgegeven vergunningen voor nieuwe woningen daalt al sinds 2018 en het aantal vergunningen voor andere type gebouwen daalt sinds het tweede kwartaal van 2019. Dit werkt uiteindelijk door in minder werk voor bouwbedrijven en dus minder bouwproductie. De oorzaak van de krimp in de vergunningen ligt deels in de PFAS- en stikstofcrisis, maar dat is pas sinds augustus zichtbaar in de cijfers. Daarvoor was ook al een daling in de afgegeven vergunningen te zien. De oorzaak daarvan ligt in de sterk gestegen bouwkosten en trage procedures bij overheden. PFAS en stikstof zijn dus zeker niet de enige boosdoener, maar kunnen de komende tijd wel voor extra problemen zorgen.

Dit signaleerde Jan de Ruiter, ceo van VolkerWessels, op 13 februari ook bij de bekendmaking van de jaarcijfers. Hij gaf aan dat VolkerWessels merkt dat opdrachtgevers wachten met het op de markt brengen van nieuwe projecten, omdat ze hopen dat ze over een aantal maanden een lagere prijs kunnen betalen. Naar verwachting is er dan minder werk door stikstof en PFAS, waardoor meer bouwbedrijven zullen concurreren om het project te bemachtigen. Vooral de inframarkt zal in 2020 last van blijven houden, met margedruk als gevolg is de verwachting van De Ruiter.

Omzet bouwbedrijven minder onder druk

De omzet van bouwbedrijven liet in tegenstelling tot de bouwproductie in het vierde kwartaal van 2019 nog wel groei zien. De omzetgroei bedroeg 2,1 procent in vergelijking met dezelfde periode in 2018. Dit was wel de laagste groei in vier jaar tijd. Kleine bouwbedrijven met maximaal 10 werknemers en de grote bouwbedrijven met meer dan 100 werknemers presteerden het beste. De omzet van middelgrote bouwbedrijven met 10 tot 100 werknemers daalde in het vierde kwartaal met 3 procent in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. Middelgrote bouwbedrijven doen het al langere tijd minder goed dan de kleine en grote bedrijven en lijken nu als eerste het kind van de rekening te worden. Dit is in onderstaande grafiek te zien.

Kleine bouwbedrijven werken veel voor particulieren, wat minder conjunctuurgevoelig werk oplevert. Daarnaast hebben de maatregelen rond PFAS en stikstof minder invloed op dergelijke kleine projecten, omdat er minder vaak een vergunning nodig is en de stikstofuitstoot minimaal is. Grote bouwbedrijven werken vaker aan langlopende projecten, waardoor zij pas later last zullen krijgen van de PFAS- en stikstofcrisis. Ook komt het voor dat wanneer er minder werk is, grote bedrijven projecten van wat kleinere omvang aannemen en daarmee voor extra concurrentie zorgen voor de middelgrote bouwbedrijven.

Grote verschillen tussen de bouwbranches

De verschillen tussen de bouwbranches zijn groot, zoals in onderstaande grafiek te zien is. Installateurs wisten in het vierde kwartaal nog een omzetgroei van 6,7 procent te behalen en waren daarmee de sterkste groeier van de bouwsector. Zij profiteren van de steeds groter wordende vraag naar installaties die bijdragen aan de verduurzaming, zoals zonnepanelen en warmtepompen.

Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de bouwers van wegen, spoorwegen en tunnels en de overige gespecialiseerde bouw. In de laatste categorie vallen bijvoorbeeld dakdekkers, heibedrijven, betonvlechters en metselaars. De omzet van wegenbouwers daalde in het vierde kwartaal met 2,2 procent en die van de overige gespecialiseerde bouw zelfs met 4,8 procent. De wegenbouwers hadden in het vierde kwartaal last van de PFAS-crisis waardoor er geen of nauwelijks grond mocht worden verplaatst en veel wegenprojecten stil kwamen te liggen.

Ook kwamen veel infraprojecten stil te liggen door de stikstofcrisis. Daar hebben vooral de middelgrote infrabouwers last van. Hun omzet daalde in het vierde kwartaal met 8 procent in vergelijking met vorig jaar. De overige gespecialiseerde bouwers zijn deels vooraan in het bouwproces actief, zoals de heibedrijven en betonvlechters, en deels aan het einde, zoals de metselaars en dakdekkers. Waarschijnlijk hebben de betonvlechters en heibedrijven voor de omzetdaling gezorgd, omdat de afgelopen maanden minder nieuwbouwprojecten zijn gestart.

Bouwbedrijven zijn negatief over de toekomst

Het jaar 2019 wordt mager afgesloten, al was er over het hele jaar nog een behoorlijke groei te zien. Dat de krimp in het vierde kwartaal waarschijnlijk geen incident is, blijkt uit het sentiment van bouwondernemers. Uit de COEN-enquête die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) elk kwartaal publiceert, wordt duidelijk dat bouwondernemers steeds somberder worden. Het ondernemersvertrouwen is een stemmingsindicator die aangeeft in welke richting de productie van de sector zich zal bewegen. Uit de enquête over het eerste kwartaal van 2020 die in januari is gehouden blijkt het vertrouwen onder bouwondernemers weliswaar nog positief, maar dat de daling, die al sinds 2018 is ingetreden, voortzet. Ook de producenten van hout- en bouwmaterialen zijn al langere tijd minder positief. Hun vertrouwen ligt nog maar net boven de nul. Een cijfer onder de nul, betekent dat zij in de nabije toekomst krimp verwachten. Doordat de ondernemers in de hout- en bouwbranche voorin de keten actief zijn, ondervinden zij als eerste in de sector de veranderende economische omstandigheden.

Ook zijn bouwondernemers ronduit negatief over de verwachte investeringen in 2020 en over het economisch klimaat in de komende drie maanden. Dit past bij onze eigen verwachtingen dat de gevolgen van PFAS- en stikstofmaatregelen zich vooral in 2020 en 2021 in de bouwsector doen gelden.