Europa heeft de Nederlandse landbouw hard nodig

door: Jan de Ruyter

Nederland heeft de morele plicht om bij te dragen aan de voedselvoorziening in de ons omringende landen. We zijn een klein land in een delta van grote rivieren. Deze rivieren leverden de vruchtbare landbouwgrond die zich in de afgelopen miljoenen jaren via het water afzette. Gezegend met een mild klimaat, relatief veel en schoon zoet water en een uitstekende infrastructuur is Nederland uitermate geschikt om voedsel te produceren.

Tegelijk legt onze landbouw grote druk op de leefomgeving. Geen vierkante meter van ons landoppervlak is onbewerkt gebleven. Mede door hoge concentratie van landbouw en bewoning heeft Nederland relatief weinig natuur, al moet gezegd dat een vijfde van het oppervlak door landwinning is gecreëerd en dus nooit natuur was. De huidige problematiek rond CO₂ en stikstof geeft aan dat de grenzen dat we tegen grenzen aan lopen.

In dit verband wordt vaak de vraag gesteld waarom Nederland als twee na grootste exporteur van agrarische producten ‘de hele wereld zou moeten voeden’. Allereerst moet worden gesteld dat de omstandigheden in veel landen in de wereld vele malen slechter is dan in Nederland. Wereldwijd is 10 procent van de grond geschikt voor landbouw, in Nederland maar liefst 54 procent. Volgens het Hoffmann Centre voor Sustainable Resource Economy is 80 procent van de wereldbevolking afhankelijk van voedselimport.

Daarnaast valt op de exportcijfers wel wat af te dingen. Ons land fungeert in belangrijke mate als doorvoerhaven van veel agrarische producten die niet in Nederland zijn verbouwd, zoals tropisch fruit, koffie, cacao, tabak en oliehoudende zaden. Van de 90,3 miljard euro aan exportwaarde bestaat maar 54,8 miljard euro (60,8 procent) uit agrarische primaire producten die geteeld zijn op Nederlandse bodem (exclusief sierteelt). Als we onze geschoonde import van agrarische producten daar van afhalen, resteert een exportsaldo van 20,0 miljard euro.

Bovendien gaat ons voedsel vooral naar de ons omringende landen. Van onze export van onze landbouwproducten zetten we rond de 77 procent af in de landen van de Europese Unie (EU). Volgens het Europese Milieu Agentschap verbetert de Nederlandse positie bovendien de komende decennia verder. Door klimaatverandering zullen de zuidelijke landen van Europa minder voedsel kunnen produceren en de noordelijke landen juist meer. We voeden dus niet ‘de hele wereld’, maar we zijn wel een belangrijke voedselleverancier voor onze medeleden in de EU.

Om aan onze plicht van Europese voedselleverancier te blijven kunnen voldoen, moeten we uitermate zuinig zijn op ons land en het beschermen tegen vervuiling en vernietiging. Ondanks de recent opgelaaide stikstof-problematiek heeft de landbouwsector zeker niet stilgezeten. Vanwege die dichtbevolktheid en het intensieve landgebruik bestaat al jaren strenge wet- en regelgeving om de milieubelasting van de landbouw te beperken. Veel agrarische bedrijven hebben zich hier continu op aangepast waardoor boeren in Nederland relatief veilig, duurzaam en gezond voedsel produceren.

Maar het kan natuurlijk altijd beter. Om de milieubelasting verder terug te dringen, is het vanwege de grote afhankelijkheid van voedsel tussen de lidstaten noodzakelijk dat we op Europees niveau de agrarische kringlopen sluiten. Bij het sluiten van agrarische kringlopen worden agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen vastgehouden in het voedselsysteem. Daarmee wordt de aanvoer van voedingsstoffen van elders in de vorm van bijvoorbeeld kunstmest en veevoer geminimaliseerd. De beschikbaarheid van circulaire grondstoffen bepaalt uiteindelijk de productiecapaciteit.

Verduurzaming van de landbouw is dus een proces dat de EU-lidstaten samen moeten vormgeven. In de EU zijn veel landen voor een groot deel van hun voedselconsumptie niet zelfvoorzienend en veel gebieden zijn in het geheel niet geschikt voor voedselproductie. Een Europese aanpak versterkt de saamhorigheid zodat de lidstaten onderling op wellicht nog grotere schaal voedsel kunnen blijven verhandelen. En dan is het ook logisch dat de lidstaten samen streven naar een lagere milieubelasting van de voedselvoorziening.

Helaas ontbreekt het nog aan die saamhorigheid. Zo is het niet goed te begrijpen dat landen van buiten de EU producten mogen leveren met een lagere duurzaamheidsstandaard dan in de EU verplicht is. Zo zorgt de recente handelsoorlog tussen Amerika en China er bijvoorbeeld voor dat genetisch gemanipuleerde soja vanuit Amerika de Europese markt mag binnenkomen. Deze producten mogen in onze supermarkten verkocht worden. En zelfs binnen Europa is er geen gelijk speelveld. Zo kunnen er tussen verschillende landen binnen Europa ook verschillende duurzaamheidseisen gelden.

Het toelaten van producten van lagere kwaliteit van buiten de EU bemoeilijkt de concurrentiepositie en het bestaansrecht van Europese boeren en tuinders. Bovendien doorkruist het ons streven naar een meer duurzame vorm van productie en ondermijnt het ons vertrouwen in de kwaliteit die Europese consumenten van hun voedsel mogen verwachten. Zolang Nederland in ieder geval binnen Europa is staat blijft om relatief hoge standaarden te voeren en de burger steeds meer waarde gaat hechten aan duurzaamheid, gezondheid en veiligheid van ons voedsel, wordt onze rol als voedselproducerend land alleen maar belangrijker.

 

Deze column verscheen eerder in Trouw

Recent publiceerde ABN AMRO het rapport “Grond om te boeren”. Daarin spreken we de verwachting uit dat de prijsverschillen tussen percelen landbouwgrond de komende jaren toe gaan nemen. Kwaliteit en ligging spelen daarbij een belangrijke een rol.