Buitenlandse vraag naar Nederlands voedsel hoog

door: Nadia Menkveld

In 2019 is de exportwaarde van voedingsmiddelen toegenomen en ook dit jaar blijft de vraag naar deze producten hoog. Maar de boeren en tuinders staan voor stevige uitdagingen: arbeidstekorten en stikstofmaatregelen zorgen voor extra kosten en druk op de productievolumes.

Sectorprognose-Agri-2020-en-2021.pdf (563 KB)
Download

De uitvoer van voedingsmiddelen is vorig jaar  toegenomen. ABN AMRO schat op basis van de beschikbare uitvoercijfers in dat de uitvoerwaarde over heel 2019 met 5 procent is toegenomen.De uitvoerwaarde van vlees steeg met ruim 7 procent het hardst. De flinke stijging van vleesproducten is het gevolg van de Afrikaanse varkenspest in China, waardoor op de wereldmarkt tekorten aan varkensvlees zijn ontstaan. De uitvoerwaarde van varkensvlees is naar schatting met circa 30 procent toegenomen. Dit was deels volume (circa 16 procent) en deels prijs.

Niet alleen de uitvoerwaarde van vlees steeg, vrijwel alle productgroepen kenden in 2019 een stijging. Zo steeg de waarde van de visexport met 6 procent en de uitvoerwaarde van groente en fruit met 7 procent. De cijfers van groente en fruit zijn enigszins vertekend, omdat een groot deel van de fruitexport niet van Nederlandse bedrijven afkomstig is. Circa drie kwart van de fruituitvoer is namelijk wederuitvoer. Veel tropische vruchten komen de Rotterdamse haven binnen en worden vervolgens via vrachtvervoer of binnenvaart de grens overgebracht naar andere landen in Europa. Van de groente-export komt meer dan 80 procent van Nederlandse tuinders.

Nederlandse groenten zijn geliefd in het buitenland. Hierdoor steeg de uitvoerwaarde van verse groenten in 2019 met circa 11 procent naar 7,2 miljard euro. Dit betreft met name tomaten, paprika’s, uien, komkommers en aardappelen. Nederlandse akkerbouwers en tuinders leveren een belangrijke bijdrage aan de invulling van de groenteconsumptie van een aantal Europese landen. Zo is een groot deel van alle tomaten die in Duitsland worden gegeten afkomstig uit Nederlandse kassen. Met betrekking tot groenten is Duitsland voor slechts circa 40 procent zelfvoorzienend. Ook de Britten zijn deels afhankelijk van de Nederlandse productie. Nederland exporteert jaarlijks voor circa 280 miljoen euro aan tomaten naar het Verenigd Koninkrijk (VK).

De uitvoerwaarde van zuivelproducten steeg zeer beperkt in 2019. Het grootste deel van de zuivelproducten gaat naar Duitsland. De uitvoerwaarde naar dat land groeide met 5 procent en dat is de belangrijkste reden waarom de zuivelexport nog wel op een plusje uitkwam, want naar veel andere landen zoals China, Frankrijk en het VK daalde de exportwaarde juist. De hoeveelheden stegen overigens sterker dan de waarde, omdat de prijs wat achterbleef. Zuivelexporteurs kenden even een paniekmomentje toen de Amerikaanse president Donald Trump hogere importtarieven aan Europese lidstaten op mocht leggen ter compensatie van de onrechtmatige staatssteun van de Europese Unie (EU) aan vliegtuigbouwer Airbus. Kaas was een van die producten die op de lijst met hogere importtarieven stond, maar al snel werd duidelijk dat de schade meeviel: de belangrijkste Nederlandse exportkazen, zoals Gouda en Edammer, waren uitgezonderd. Zuivelproducenten uit Frankrijk, Duitsland en het VK werden het hardst geraakt door de hogere importtarieven.

Uitvoer stijgt verder in 2020

Voor 2020 verwacht ABN AMRO een verdere stijging van de uitvoer van voedsel. Het belangrijkste afzetland voor deze producten is Duitsland. In 2019 groeide de uitvoer van voedingsmiddelen naar Duitsland met 5 procent. De Duitse economie scheerde in 2019 langs de rand van een recessie, maar bleef nog net overeind als gevolg van toegenomen particuliere bestedingen en overheidsuitgaven.

De Duitse particuliere bestedingen gaven een impuls aan de Nederlandse export van consumentengoederen, zoals voedsel. Als gevolg van verder stijgende lonen en een gunstig begrotingsbeleid nemen de Duitse particuliere bestedingen ook in 2020 toe. ABN AMRO verwacht voor Duitsland een toename van de consumptieve bestedingen van 1 procent in 2020 en 1,3 procent in 2021. Dat zorgt ook voor een verdere toename van de vraag naar consumptiegoederen, waaronder voedingsmiddelen.

Het VK is eveneens een belangrijke afnemer van Nederlandse voedingsmiddelen. Ondanks de aanstaande brexit verwacht ABN AMRO dat de consumptieve bestedingen in het VK in 2020 met 1,2 procent toenemen. Nu de Britse Conservatieve Partij de algemene verkiezingen met een ruime meerderheid heeft gewonnen, is de brexit weliswaar een feit, maar is hierom tegelijk de druk op de Britse premier Boris Johnson afgenomen om nog langer vooral de lijn van de felle Brexiteers te volgen. Dat kan betekenen dat de brexit een meer ‘zacht’ karakter krijgt in de precieze scheidingsvoorwaarden waarover de Britten en de EU dit jaar gaan onderhandelen.

Een, voor Nederlandse voedingsmiddelen, minder belangrijk exportland is China, maar daar vindt wel de hoogste groei plaats. De uitvoer vanuit Nederland naar China steeg met maar liefst 25 procent. Deze snelle stijging heeft alles te maken met de uitbraak van de eerder genoemde Afrikaanse varkenspest in dat land. De groei van de uitvoer wordt naar verwachting voorlopig vooral gestuwd door een stijgende vraag naar vlees vanuit China, wat terug te zien zal zijn in hogere exportcijfers voor 2020 en 2021.

Aanbodzijde ondervindt belemmeringen

De productievolumes van de Nederlandse land- en tuinbouw worden, anders dan de vraagzijde, vooral gedomineerd door binnenlandse factoren. Zoals de effecten van weersomstandigheden, arbeidstekort, sanering varkenshouderij, fosfaat- varkens- en pluimveerechten en de discussie rondom stikstof.

Toename van het arbeidstekort zorgt voor problemen in oogsttijd

ABN AMRO verwacht dat het tekort aan arbeidskrachten de komende jaren verder toeneemt. Een indicatie daarvoor is dat steeds meer ondernemers zich zorgen zegt te maken om de krapte op de arbeidsmarkt. Eind 2019 zag 17 procent van de ondernemers in de land- en tuinbouw het tekort aan personeel als serieuze belemmering in hun bedrijfsvoering.

Hoewel de economische groei in Nederland vertraagt, blijft de werkloosheid nog ver onder het historisch gemiddelde. Bovendien is de agrarische sector voor een deel afhankelijk van migranten uit Oost-Europa. Door betere economische omstandigheden in eigen land vestigen zich geleidelijk aan minder Oost-Europese arbeidsmigranten in Nederland. De afhankelijkheid van Oost-Europese arbeidskrachten doet zich vooral voor in de tuinbouwsector (open teelt, glastuinbouw en paddenstoelenteelt). Deze branches zijn sterk afhankelijk van piekperiodes, de periodes waarin wordt geoogst en meer arbeidskrachten nodig zijn. Een tekort aan arbeidskrachten kan zorgen voor problemen tijdens de oogst.

De arbeidsmigratie uit Turkije en India is weliswaar toegenomen, maar vanuit Turkije is desondanks sprake van een negatief migratiesaldo. Bovendien bestaat ongeveer 20 procent van de Turkse arbeidsmigranten uit kenniswerkers, en zij zullen de krapte bij juist praktijkgeschoolde banen niet verlichten. De vele migranten uit India werken vaak in de IT-sector en de financiële sector. Maar liefst 90 procent van hen is kennismigrant. Ook uit deze hoek komt dus weinig verlichting voor de agrarische sector. Daarnaast kampt de landbouwsector met een tekort aan bedrijfsopvolgers. De sector vergrijst en er staan onvoldoende opvolgers in de rij om het boerenbedrijf voort te zetten. Het gebrek aan opvolging leidt de komende jaren tot afname van het aantal bedrijven.

Daling veestapel door stikstofmaatregelen

De agrarische sector krijgt naast de arbeidstekorten en opvolgingsproblematiek te maken met beperkte groeimogelijkheden als gevolg van de stikstofmaatregelen. De rundveestapel is sinds 2016 al met 12 procent gekrompen als gevolg van efficiëntere melkproductie en de introductie van fosfaatrechten. De komende jaren legt de stikstofproblematiek verdere druk op de rundveestapel en daarmee op de melkproductie. Voor dit jaar valt de daling naar verwachting mee, aangezien de stikstofmaatregelen nog niet volledig zijn uitgekristalliseerd. Op de langere termijn lijkt een afname van de melkveestapel echter onvermijdbaar. Voor 2020 verwacht ABN AMRO een stabilisatie van de melkaanvoer, voor 2021 een krimp van 2 procent.

De varkensstapel zal als gevolg van de stoppersregeling, de warme sanering en strengere regelgeving in het algemeen en specifiek in Noord Brabant de komende jaren krimpen. De stoppersregeling krijgt dit jaar zijn beslag. De warme sanering heeft als doel om geuroverlast in gebieden rond woonkernen te verminderen. ABN AMRO verwacht na een daling van 2 procent in 2019, een daling van de varkensstapel met 3 procent in 2020 en nog eens 7 procent in 2021. Deze verwachting is omgeven door veel onzekerheid. Het rijk heeft 180 miljoen euro uitgetrokken om bedrijven die willen stoppen te compenseren. Het ministerie van Landbouw verwacht op basis van dit bedrag een daling tussen de 7 en 10 procent van de varkensstapel. Maar deze week werd bekend dat er potentieel veel meer animo is voor de uitkoopregeling. Of het rijk meer geld beschikbaar zal stellen is onduidelijk, bovendien is het nog maar de vraag of deze bedrijven ook definitief zullen stoppen. De verwachting is dat het effect van de warme sanering met name in 2021 zichtbaar zal worden. Een daling van de varkensstapel heeft effect op de productie van biggen- en varkensvlees. In 2019 daalde het aantal geslachte varkens al met 1 procent en die daling zal zich in 2020 en 2021 voortzetten.

Onzekerheden remt investeringen in de land- en tuinbouw

Innovatie is het beste antwoord op de vele uitdagingen waar ondernemers voor staan. Zo zal de glastuinbouw moeten innoveren om te voldoen aan de ambitie om in 2040 klimaatneutraal te zijn. De glastuinbouw neemt al tal van initiatieven die erop gericht zijn het energieverbruik terug te dringen. Ook de veehouderij zal moeten investeringen in maatregelen om de stikstofuitstoot te beperken. Voor de akkerbouw geldt dat investeringen nodig zijn om de arbeidskrapte in de toekomst op te vangen en om meer schaalgrootte te bereiken om hogere kosten als gevolg van extensivering te drukken. Voor de visserij geldt hetzelfde. Deze sector kampt met een verouderde vloot. Circa twee derde van de schepen is ouder dan twintig jaar. Het doorvoeren van deze maatregelen vergt aanzienlijke investeringen, iets waar veel ondernemers terughoudend mee zijn. Uit cijfers van het CBS blijkt dat meer boeren, vissers en tuinders niet, dan wel van plan zijn in 2020 te gaan investeren. Het lijkt erop dat het investeringsklimaat voor ondernemers relatief ongunstig is vanwege onzekerheid over regelgeving en geopolitieke onrust. Lagere investeringen kunnen zorgen voor de belemmering van de groei en verduurzaming op langere termijn.