Pensioenmonitor: Pauzeknop maakt voor premiestijging weinig uit

door: Piet Rietman

  • Zonder pauzeknop: kleine premiestijging 2020, grote in 2021
  • Met pauzeknop: idem
  • Pensioenspaarders in loondienst zitten in beide gevallen klem
Pensioenmonitor-November.pdf (255 KB)
Download

Zonder pauzeknop: kleine premiestijging 2020, grote in 2021

De vandaag gepubliceerde brief van minister Koolmees wordt over het algemeen gezien als ‘pauzeknop’ van een jaar voor alle drie de maatregelen om lage dekkingsgraden op te vangen. Deze drie maatregelen zijn korten in de uitkeringsfase, het opbouwpercentage omlaag of de premie omhoog. Simpeler gezegd: minder uitkeren aan huidige gepensioneerden, minder uitkeren aan toekomstige gepensioneerden, of meer inleggen. De beoogde uitwerking van de brief is dat fondsen waar op 31 december aanstaande de beleidsdekkingsgraad 90% of hoger is deze drie maatregelen niet genomen worden. In lijn met onze prognose gebruikt Koolmees hiervoor art. 142 van de Pensioenwet als juridische basis. Voor werkenden lijken forse premieverhogingen en opbouwkortingen dus uitgesteld. De vraag is echter meer hoe fors die zouden zijn geweest en of ze écht uitgesteld zijn.

Hoe fors die zouden zijn geweest werd duidelijk gemaakt door de bij het grootste pensioenfonds ABP aangesloten vakbonden. Om de premiedekkingsgraad naar 100% te krijgen zou daar de premie naar circa 40% moeten óf het opbouwpercentage omlaag naar 1,647%. Volgens onze berekening klopt dat, al moet het opbouwpercentage op basis van de meest actuele dekkingsgraad naar 1,659%. De premie is op dit moment 24,9% en het opbouwpercentage 1,701% voor het inkomen tot en met €40.683,62 en 1,875% daarboven. Forse wijzigingen dus, als ze in één jaar werden ingevoerd.

Zulke wijzigingen duren echter jaren. Volgens het eigen ABP-premiebeleid stijgt de premie t/m 2025 bijvoorbeeld maar met 2 procentpunt per jaar en daarna 1,5 procentpunt[1]. Zo duurt het bij ongewijzigd beleid nog tot 2028 voor de premie 40% is. Het premiebeleid van PFZW en Bpf Bouw[2] laat een vergelijkbaar beeld zien.

Premies vaststellen kan snel binnen de kaders van het staande beleid; de besluiten hierover worden momenteel genomen. Het wijzigen van het staande beleid staat nu echter nog niet op de agenda’s van de pensioenfondsbesturen en is bovendien gebonden aan wettelijke kaders[3]. Zonder de pauzeknop zou het aanpassen van het premiebeleid pas in 2020 besproken worden en in 2021 ingaan.

Met pauzeknop: idem

Nu de brief van Koolmees er is, verandert die situatie niet. Het zou kunnen dat het ministerie op korte termijn aanvullende juridische kaders schept om uitzonderingen op of wijzigingen van het premiebeleid mogelijk te maken, of dat deze brief zo opgevat mag worden. Zo hoeven ook de voorgenomen kleine premiestijgingen niet door te gaan. Maar de vraag is of fondsbesturen daar gebruik van zouden maken. Een kleine verhoging nu dempt de verhoging van 2021 en zo komt die voor de deelnemers minder als een schok. Bovendien is de voorbereiding vaak al af: de verhogingen zijn al met sociale partners, verantwoordingsorganen en uitvoeringsorganisaties besproken. De eerste twee hoeven in veel gevallen nu niet opnieuw geconsulteerd te worden en de laatsten staan, met het oog op hun vaak complexe en kwetsbare IT-systemen, niet te springen om last-minute wijzigingen.

Vervolgens moeten fondsbesturen een inschatting maken van de situatie eind 2020 om zo te bepalen of het premiebeleid moet worden bijgesteld. Van de drie factoren waardoor de dekkingsgraad onder druk staat zijn er eind 2020 gegarandeerd nog steeds twee aan de orde: vergrijzing en een hoge levensverwachting. De derde factor is niet zeker: ECB-beleid. De bestuursadviseurs van de grote fondsen – Ortec Finance, APG, PGGM en MN – voorspellen echter, net als wij, geen fundamentele koerswijziging bij de ECB. Sommigen hangen zelfs een ‘langer laag’-scenario aan. Dus zullen de meeste fondsbesturen medio 2020 hun beleid aanpassen om grotere premiestijgingen mogelijk te maken zodra het pauzejaar voorbij is.

Pensioenspaarders in loondienst zitten in beide gevallen klem

Zowel met als zonder pauzeknop gaat de premie licht omhoog in 2020, gevolgd door een grotere stijging. Deze stijgingen gaan hoe dan ook ten koste van het nettoloon. Bij een gelijkblijvende premieverdeling tussen werkgever en werknemer is dat effect meteen zichtbaar op het loonstrookje. Bij een groter werkgeversdeel neemt de totale loonruimte af en staat het brutoloon onder druk, waardoor dit uiteindelijk ook ten koste gaat van het nettoloon.

Deze ontwikkeling van de premie gaat gepaard met het dalen van de opbouw. In een scenario van gelijkblijvend ECB-beleid en geen verder uitstel zal dat wellicht in 2020 en zeker in 2021 gebeuren. Bij sommige grotere fondsen zoals PFZW ligt een verdeelsleutel vast waardoor, zodra er meer premie nodig is dan vastgesteld, dat wordt opgevangen door een navenante verlaging van het opbouwpercentage. Bovendien hebben werkgevers in pensioenfondsbesturen een prikkel om het niet alleen te zoeken in premieverhoging: de lonen moeten concurrerend blijven in een krappe arbeidsmarkt.

Zo neemt het belang van de derde pijler toe – door een lagere opbouw moeten werkenden meer zelfstandig sparen voor hetzelfde totale pensioen – maar worden de mogelijkheden om te sparen minder doordat hogere premies de nettolonen onder druk zetten.

 

[1] Uitgaande van een beleidsdekkingsgraad onder de 110%. Bron: ABP, Actuariële en bedrijfstechnische nota 2019, art. 4.2

[2] PME en PMT hebben hun premiebeleid voor de komende 5 jaar nog niet vastgesteld. Bpf Bouw baseert de premie op de gedempte kostendekkende premie, dus de grafiek laat een prognose zien

[3] Via de in Pensioenwet art. 145.3 bedoelde amvb’s is o.a. de vorm en de wijze van vaststelling van actuariële en bedrijfstechnische nota’s (abtn) geregeld. In deze abtn’s staat het premiebeleid. Het proces dat uit de amvb’s voortvloeit kan niet worden afgerond binnen zes weken terwijl de nieuwe premie (voortvloeiend uit art. 38) vóór 1 januari moet worden bekendgemaakt