Latijns-Amerika Focus – Herstel laat op zich wachten

door: Marijke Zewuster

  • Eerste kwartaal vrijwel overal zwak, tweede kwartaal toont gemengder beeld
  • Vooruitzichten stemmen niet optimistisch
  • Verruiming overheidsuitgaven in meeste landen geen optie
  • Ruimte voor versoepeling monetair beleid gering
190815-Latijns-Amerika-Focus-1.pdf (221 KB)
Download

Groeiramingen omlaag

Op grond van een steeds verder escalerende handelsoorlog hebben we de afgelopen maand onze groeiramingen voor zowel industrielanden als opkomende markten verder verlaagd. In Latijns-Amerika komen daar voor veel landen negatieve interne ontwikkelingen bij. Door deze combinatie van factoren hebben we ook de groeiramingen voor de zes grootste landen van de regio – Argentinië, Brazilië, Chili, Colombia, Mexico en Peru –verlaagd. Cijfers voor Venezuela zijn uiterst onbetrouwbaar en voorspellingen lastig te maken. Het land is na een krimp van ruim 60% in de afgelopen vijf jaar op de regionale ranglijst qua economische omvang gezakt van een vijfde plek in 2014 tot een zevende plek in 2018. Volgens de laatste cijfers van de EIU lijkt het land dit jaar af te stevenen op een krimp van meer dan 25%. Begin dit jaar werd er nog uitgegaan van een krimp van 6%. Hierdoor stagneert ook de regionale groei in 2019 (gemeten op basis van de zeven grootste landen), tegen een groei van 0,6% in 2018. De regio loopt zo wat groei betreft steeds verder achter op Azië en opkomend Europa.  Laten we Venezuela buiten beschouwing dan daalt de groei dit jaar naar afgerond 1%, tegen 1,3% in 2018.

Eerste kwartaal vrijwel overal zwak, tweede kwartaal toont gemengder beeld

In veel landen in de regio zwakte de groei in het eerste kwartaal van dit jaar af. De Argentijnse economie zakte verder in het moeras. De economie kromp in het eerste kwartaal opnieuw met circa 6% j-o-j. De groei in Mexico en Brazilië bleef in vergelijking met een jaar eerder in het eerste kwartaal in de plus. Het groeitempo nam wel af van een toch al laag niveau en loopt in beide landen steeds meer met elkaar in de pas.

Zelfs in landen met een relatief sterke groei zoals Chili, Colombia en Peru was er na een redelijk vierde kwartaal, sprake van een aanzienlijke groeivertraging. Voor de meeste landen zijn de cijfers voor het tweede kwartaal nog niet bekend, maar van een sterk herstel lijkt met uitzondering van Colombia nergens sprake. Maandelijkse bbp-groeicijfers duiden in Brazilië en Chili op een iets sterker tweede kwartaal, terwijl in Argentinië de krimp iets lijkt af te zwakken. In Peru daarentegen zal het tweede kwartaal waarschijnlijk nog weer iets zwakker uitvallen.  Voor Mexico zijn voorlopige cijfers voor het tweede kwartaal gepubliceerd. Deze geven aan dat de economie gekrompen is in vergelijking met een jaar eerder.

Vooruitzichten voor de langere termijn stemmen niet optimistisch

De voortdurende onzekerheid over mondiale ontwikkelingen zoals het oplaaiende handelsconflict en de hiermee gepaard gaande toename van de risicoaversie zorgt ervoor dat  het toch al lage ondernemers- en consumentenvertrouwen in de regio blijft dalen. Daarnaast spelen in veel landen politieke ontwikkelingen een rol. Zo heeft het grootschalige corruptieschandaal rondom het Braziliaanse constructiebedrijf Odebrecht, dat de afgelopen jaren de regio in zijn greep had, nog altijd een drukkend effect op de groei. Het zorgde niet alleen voor een verdere daling van het vertrouwen, maar heeft ook noodzakelijke investeringen in infrastructuur verder vertraagd. Het in het algemeen toch al lage investeringsniveau van de regio helpt ook niet mee aan een sterk herstel. De humanitaire crisis in Venezuela en de stroom vluchtelingen uit het land vormen nog een andere bron van zorg. Het gevolg van deze combinatie van mondiale onzekerheden en politieke ontwikkelingen en structurele gebreken in de regio zelf is, dat ondanks tekenen dat het dieptepunt van de groei in veel landen is bereikt, een opleving in de meeste landen ook op de wat langere termijn beperkt zal zijn.

Bezuinigingen helpen niet mee

Een oplopende overheidsschuld in veel landen maakt het onmogelijk om een anti-cyclisch begrotingsbeleid te voeren. Voor de meeste landen geldt dat de overheidsschuld sinds de mondiale financiële crisis in 2009 sterk is opgelopen. In die periode leek er voldoende ruimte om de economie te stimuleren door middel van hogere overheidsuitgaven. Dankzij de combinatie van hoge grondstofprijzen en een hiermee gepaard gaande sterke groei namen de overheidsinkomsten in eerste instantie toe en lukte het de meeste landen om tegelijkertijd de schuldquotes te doen dalen. In Argentinië en Brazilië bereikte de overheidsschuld een dieptepunt in 2011 van respectievelijk 35% en 51% van het bbp. De kentering kwam pas echt toen na 2014 de grondstoffenprijzen fors daalden en hiermee ook de inkomsten van de overheden. De meeste landen moesten als gevolg daarvan bezuinigingen doorvoeren, terwijl het economisch tij ongunstiger werd. In Argentinië en Brazilië ligt de overheidsschuld inmiddels rond de 80% van het bbp. In Colombia en Mexico is de schuld ook opgelopen, maar vallen de schuldratio’s met respectievelijk 56% en 47% van het bbp nog mee. Chili en Peru zijn belangrijke positieve uitzonderingen. Beide landen hebben een gering tekort op de overheidsfinanciën en een bescheiden overheidsschuld van minder dan 30% van het bbp.

Ruimte voor monetaire verruiming gering

Dankzij een verbeterde externe positie en een gunstige inflatie-ontwikkeling is er in de meeste landen wel ruimte om in lijn met de lagere rente in de industrielanden renteverlagingen door te voeren. Vooral Brazilië heeft daar tot nu toe van geprofiteerd en de monetaire verruimingscyclus die eind 2016 werd ingezet verder kunnen verlengen. De beleidsrente is inmiddels terug gebracht tot een historisch laag niveau van 6%. Verdere verlaging met nog rond de 50 bp lijkt waarschijnlijk. Chili was net als de Verenigde Staten  begin 2018 begonnen met het weer geleidelijk verhogen van de rente, maar heeft dit in juni weer geheel teruggedraaid met een renteverlaging van 50 bp naar 2,5%. Peru heeft zich inmiddels ook bij de renteverlagers gevoegd en de rente in augustus met 25 bp verlaagd, ook naar 2.5%. Colombia en Mexico zijn tot nu toe de enige landen die de rente nog niet (verder) verlaagd hebben. Voor Colombia lijkt een renteverlaging gezien een weer iets oplopende inflatie en een aantrekkende groei ook niet voor de hand te liggen. Mexico is een ander verhaal. De economische fundamenten zijn redelijk op orde, maar onzekerheid over de rol van de VS en de interne politieke ontwikkelingen zetten de valuta- en aandelenmarkten onder druk en beperken daarmee de ruimte voor renteverlagingen. De laatste renteverlaging vond plaats medio 2014 en nadien is de rente verhoogd van 3% tot 8,25% sinds eind 2018. Mexico heeft daarmee Brazilië ingehaald als de kampioen hoge reële rentes. Het verschil tussen de beleidsrente en de inflatie is in Mexico inmiddels opgelopen tot meer dan 4%-punt en in Brazilië gedaald naar minder dan 3%-punt. Ondanks dat de economie sterk vertraagt, lijkt het niet waarschijnlijk dat Mexico de rente met veel meer dan de beleidsrente in de VS kan verlagen. Maar ook voor de andere landen geldt dat het risico van grote wisselkoersdalingen als gevolg van toegenomen risicoaversie voorlopig boven de markt blijft hangen. Dat beperkt de ruimte voor (verdere) renteverlagingen.

Argentinië is steeds meer een geval apart

Het vorig jaar na een eerdere episode van valutaonrust afgesloten akkoord met het IMF heeft de populariteit van president Macri uiteindelijk geen goed gedaan. De bezuinigingsmaatregelen die moesten worden doorgevoerd, in combinatie met een uiterst krap monetair beleid, zorgden ervoor dat de economie opnieuw in een recessie terecht kwam en lijken Macri nu de das om te doen. De Argentijnse munt ging de afgelopen maanden al sterk onderuit uit door zorgen over de presidentsverkiezingen die in oktober in Argentinië plaatsvinden, maar sinds de voorverkiezingen van 11 augustus zit de angst er pas echt in. De munt raakte daarbij opnieuw in een vrije val. Oppositiekandidaat Alberto Fernandez en zijn vice-president en ex-president Cristina Fernandez wonnen maar liefst 47% van de stemmen, tegen 32% voor de zittende president Macri. Met zo’n uitslag tijdens de echte verkiezingen op 27 oktober is er geen tweede ronde nodig. Mocht Fernandez winnen dan zal dat waarschijnlijk het consumenten- en producentenvertrouwen een verdere knauw geven en hiermee de groeivooruitzichten voor 2020 negatief beïnvloeden. Maar los van wie er uiteindelijk president wordt, zijn de problemen van het land nu ook al dusdanig dat het de vraag is of het IMF-pakket nog voldoende is en of de afgesproken begrotingsdoelstellingen nog wel te realiseren zijn. De verdere verzwakking van de munt maakt het steeds lastiger om de omvangrijke buitenlandse schuldenlast te voldoen. Alhoewel het nog steeds niet ons basisscenario is, neemt met het zwakker worden van de munt het risico van hernieuwde schuldterugbetalingsproblemen wel sterk toe.