Monitor Duurzaamheid – de burger wil het niet allemaal zelf doen

door: Nadia Menkveld , Loek Caris , Jan Raes

Nederlanders zijn bereid om moeite en geld te steken in het duurzamer achterlaten van de aarde, maar een meerderheid vindt wel dat het bedrijfsleven en de overheid het voortouw moeten nemen in de verduurzaming van Nederland. Dat blijkt uit de tweede kwartaaleditie van de Monitor Duurzaamheid van ABN AMRO.  

ABN-AMRO_Rapport-duurzaamheidsmonitor.pdf (2 MB)
Download

Hoe groot die rol is en waar de grootste verantwoordelijkheid ligt, verschilt per deelonderwerp. Zo geven Nederlanders aan met name op het gebied van voeding, kleding en recreatie als consument een voortrekkersrol te kunnen vervullen. Voor de onderwerpen mobiliteit, energie en wonen kijken ze juist naar de overheid. Dat is niet zo vreemd, juist op deze onderwerpen kan de overheid veel voor elkaar krijgen. Denk hierbij aan fiscale stimulering of het aanleggen van infrastructuur.

Minder voedsel verspillen en de seizoenen volgen


Ongeveer een derde van de Nederlanders wijst naar zichzelf als de partij die ervoor kan zorgen dat verduurzaming op het gebied van voedsel tot stand komt. Ze gooien zo min mogelijk voedsel weg (60 procent), kopen zoveel mogelijk seizoengroente- en fruit (30 procent) en eten bewust geen vlees (27 procent). Met ongeveer 50 kilogram per jaar is de consument ook de grootste verspiller op het gebied van voeding. In Nederland en de EU wordt minder voedsel verspild door agrariërs, voedselverwerkers, supermarkten en restaurants bij elkaar opgeteld, dan door de burger.

De productie en verwerking van voedsel in de EU gaat gepaard met 170 miljoen ton CO2-uitstoot. Dat is min of meer gelijk aan de CO2-uitstoot van heel Nederland. Terugdringen van voedselverspilling draagt dus bij aan een duurzamere samenleving. Hoe minder de consument verspilt, des te minder productie en verwerking is er nodig.

Ongeveer een vijfde van de ondervraagden wijst naar het bedrijfsleven als de partij die de voornaamste rol heeft om verduurzaming op het gebied van voeding voor elkaar te krijgen. Voedselketens zijn lang en complex en het is voor consumenten niet altijd duidelijk waar de ingrediënten van producten vandaan komen en hoe duurzaam deze producten zijn. Burgers zijn gebaat bij duidelijkheid en transparantie vanuit de bedrijven, zodat ze geïnformeerd hun keuze kunnen maken.

Tweede leven voor gedragen kleding


Op het gebied van kleding geven consumenten aan dat ze er al volop voor zorgen dat kleding zo lang mogelijk gebruikt wordt en dat ze kleding een tweede leven geven door het te verkopen, te ruilen of aan een goed doel weg te geven. Het kopen van kleding die eerlijk geproduceerd is, is minder populair, waarschijnlijk omdat deze kleding als duurder wordt ervaren.

Kleding-as-a-service, oftewel het huren van kleding als optie om duurzamer te consumeren, is niet echt populair. Slechts vier procent van de respondenten doet dit. Populairder is het dragen van vintage (tweedehands kleding). Bijna de helft van de Nederlanders staat hier positief tegenover, en een derde heeft er al ervaring mee.

ABN AMRO berekende in samenwerking met het Impact Institute dat een spijkerbroek ongeveer 33 euro meer aan inkoop zou moeten kosten, als de externe sociale kosten (22 euro) en milieukosten (11 euro) meegenomen worden in de prijs. De op het milieu afgewentelde extra kosten zitten in de katoenproductie die zorgt voor veel verbruik van schaars water en watervervuiling en in de denimproductie die luchtvervuiling en energieverspilling oplevert. Consumenten vinden dat het bedrijfsleven zijn verantwoordelijkheid moet nemen om duurzamere kledingproductie voor elkaar te krijgen. Kledingmerken zouden in de productielanden een lange-termijnrelatie aan moeten gaan met fabrikanten, overheden en maatschappelijke organisaties om productieprocessen beter in te richten; zo is een van de aanbevelingen uit het ABN AMRO/Impact Institute-onderzoek.

Groenere hotels en vliegschaamte


Drie op de tien burgers kijken naar zichzelf als het gaat om duurzamere recreatie. Zij zien voor zichzelf de voornaamste rol weggelegd om op dit gebied de verduurzaming voor elkaar te krijgen. Een derde neemt duurzaamheid mee in het bepalen van de vakantiebestemming en 28 procent let bij het boeken al volop of enigszins op duurzaamheidskenmerken van de vakantieaccommodatie. Dat is ook gemakkelijker geworden, want boekingssites vermelden steeds vaker expliciet hoe duurzaam een hotel is. Voor hotels zijn veelgebruikte duurzaamheidskenmerken Green Key, Green Globe en BREEAM.

Nederlandse hotels hebben verduurzaming nog niet hoog op de agenda staan. Slechts een op de vier hotels heeft een door de overheid erkend energielabel. En van de hotels met een erkend energielabel heeft 75 procent label C of lager. Hotels hebben dus nog wel een slag te slaan als het gaat om duurzaamheid. Dat vindt ook ongeveer een op de tien consumenten. Deze groep wijst naar het bedrijfsleven als de voortrekker op het gebied van duurzamere recreatie. Met relatief eenvoudige maatregelen kan de hotelsector de eerste stappen richting duurzaamheid zetten.

Niet alleen de bestemming, maar ook de reis ernaartoe zien consumenten als een kans om duurzamer te worden. Ongeveer 28 procent van de Nederlanders is tegen de huidige ticketprijzen bereid om de trein te pakken in plaats van het vliegtuig of de auto; als dit beter is voor het milieu. Als treinreizen goedkoper zou zijn, zou een veel grotere groep (44 procent) de trein willen pakken. Dit percentage wordt nog hoger (49 procent) als de trein sneller naar de bestemming zou leiden dan de auto of het vliegtuig. Hieruit blijkt weer dat gemak en prijs belangrijkere motieven zijn voor veel mensen dan duurzaamheid. Hoewel consumenten aangeven de vliegtuig en de auto te willen inruilen voor de trein laat de realiteit nog wat anders zien. Voor de buitenlandse vakanties pakt maar liefst 57 procent van de Nederlanders het vliegtuig en gaat 32 procent met de auto. Slechts 2 procent pakt de trein voor buitenlandse bestemmingen.

Hoewel consumenten zeker wel verantwoordelijkheid voelen om duurzamer te recreëren, kijkt een grote groep ook naar de nationale overheid en de EU om maatregelen op te leggen voor een duurzamere hotel- en vliegsector. Denk aan het heffen van belasting op vliegen of op kerosine. Onlangs heeft de regering aangekondigd in 2021 een vliegtaks in Nederland te introduceren: zeven euro per ticket. Dit moet ervoor zorgen dat het aantal vliegreizigers terugloopt en zo dus CO2-uitstoot wordt bespaard. Als er kerosinebelasting wordt geheven, kan de trein een goedkoper en duurzamer alternatief vormen.