Macro Weekly – Wat mankeert Duitsland?

door: Nick Kounis

  • De Duitse economie is sterk vertraagd en lijkt in een recessie te zitten
  • De teleurstellende economische ontwikkeling weerspiegelt de sterke afhankelijkheid van de uitvoer, vooral van kapitaalgoederen
  • Doordat huishoudens meer sparen, vertragen de consumptieve bestedingen
  • Transitie naar binnenlandse vraag is hoognodig voor Duitsland en de eurozone
  • Het grote overschot op de lopende rekening is de keerzijde van de binnenlandse spaarzin
  • Duitsland heeft ruimte om de overheidsuitgaven op te voeren, de belastingen te verlagen en de lonen te verhogen

Instorting van Duitse industrie duwt economie in richting van recessie

De Duitse industrie-orders daalden in februari met 4,2% m-o-m, na een terugval van 2,1% in januari. Dit cijfer is van nature volatiel, maar de huidige zwakte is verbazingwekkend. Op jaarbasis bedraagt de daling 8,4%, het slechtste cijfer sinds de internationale financiële crisis. In het verleden kwam een daling van de industrie-orders van deze omvang overeen met een recessie van de totale economie (zie linkergrafiek). Duitsland is technisch gezien nog niet in een recessie beland (twee kwartalen op rij van krimp), maar alles wijst wel op een lichte recessie. De economie kromp in het derde kwartaal, bleef gelijk in het vierde kwartaal en lijkt in de eerste paar maanden van dit jaar verder te zijn afgegleden. Duitsland blijft achter bij de hele eurozone en andere ontwikkelde economieën wereldwijd. Wat is er toch aan de hand met Duitsland?

Duitse economie krijgt klap van dalende uitvoer

De Duitse economie is bijzonder gevoelig voor de wereldwijde vraag. Deze is dit jaar aanzienlijk afgezwakt: de wereldhandel vertoont op jaarbasis een krimp. Daarbij komt dat de Duitse economie heel sterk leunt op de productie van kapitaalgoederen, die door de vertragende wereldwijde investeringsuitgaven hard wordt getroffen (zie linkergrafiek). Binnen industrie-orders daalden de orders voor kapitaalgoederen met 9,8% j-o-j en de orders voor buitenlandse kapitaalgoederen met 15,3% j-o-j. De investeringsuitgaven vertragen niet alleen in de eurozone, maar ook in de VS, Japan en China.

Binnenlandse vraag is ook afgezwakt

De vertraging van de Duitse economie is ook versterkt door de zwakkere binnenlandse vraag. Hoewel de werkgelegenheid is toegenomen en de loongroei is versneld, zijn de consumenten in de loop van vorig jaar aanzienlijk minder gaan uitgeven. Dit komt tot uiting in de sterke stijging van de particuliere spaarquote. Mogelijk gaat het nog maar om sparen uit voorzorg naar aanleiding van de vertraging in de industrie en moet het ergste nog komen, gezien de handelsoorlog tussen de VS en China en de mogelijke olievlekwerking naar de EU. Bovendien speelt op de achtergrond ook de bezorgdheid omtrent de gevolgen van een Brits vertrek uit de EU zonder akkoord.

Verbetering zet later dit jaar in

Sinds begin dit jaar zijn indicatoren voor de binnenlandse economie, zoals de inkoopmanagersindex (PMI) voor de dienstensector, verbeterd. Dit doet vermoeden dat de bezorgdheid wellicht afneemt, al komt dit nog niet tot uitdrukking in indicatoren van het consumentenvertrouwen. Voorts denken we dat de wereldeconomie in het tweede halfjaar licht aantrekt. Deze verwachting is gebaseerd op de mildere toon van centrale banken, terwijl de hiervoor besproken onzekerheden wat wegebben. De Duitse economie zou in het tweede halfjaar dan ook moeten verbeteren.

Olifant in porseleinkast

De wereldwijde economische vertraging brengt echter een structureler probleem van de Duitse economie duidelijker aan het licht: de afhankelijkheid van de buitenlandse vraag en het ontbreken van een binnenlandse groeiaanjager. Duitsland heeft een enorm overschot op de lopende rekening. In de afgelopen kwartalen is het overschot wat teruggelopen, maar eind vorig jaar bedroeg het nog altijd 7,4% van het bbp. De keerzijde hiervan is een grote binnenlandse spaarzin. Maar wie sparen er dan? Het antwoord is kort en krachtig: iedereen. De overheid, de consument en het bedrijfsleven zijn in de laatste paar jaar allemaal meer gaan sparen. Zo heeft de overheid begrotingsoverschotten opgebouwd, terwijl de overheidsinvesteringen haperen. Huishoudens voelen zich wellicht minder zeker, ondanks de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dit kan verband houden met zorgen over de toekomstige oudedagsvoorziening en het grote aantal tijdelijke minibanen. In de voorbije jaren is de concurrentiekracht van Duitse bedrijven wel verbeterd, gesteund door een relatieve loonmatiging. Het aandeel van arbeid in het inkomen is gedaald en bedrijven hebben forse winsten geboekt. De bedrijfsinvesteringen zijn verhoudingsgewijs echter gematigd gebleven. Dit impliceert dat bedrijven ook meer geld zijn gaan oppotten.

Regering heeft ruimte voor begrotingsstimulansen

De Duitse overheid kan meer doen om de transitie naar de binnenlandse vraag te stimuleren. Dit zou niet alleen goed zijn voor Duitsland, maar ook voor de hele eurozone. Sterkere budgettaire stimulering zou de meest logische eerste stap zijn. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft al signalen in deze richting afgegeven. Volgens het verslag van de vergadering van de Raad van Bestuur in maart worden landen die budgettaire ruimte hebben, opgeroepen voorbereidingen te treffen om deze ruimte te benutten, gegeven de negatieve groeirisico’s. Hiermee lijkt de ECB tot op zekere hoogte te onderkennen dat het monetaire beleid nu beperktere ruimte dan in het verleden biedt om de economie van de eurozone een impuls te geven en daarmee de inflatie op te drijven.

Volgens de Europese Commissie stevent Duitsland dit jaar af op een structureel begrotingsoverschot van 1% van het bbp. Dit is minder dan vorig jaar, omdat de regering een bescheiden stimuleringsprogramma met een omvang van iets minder dan 0,5% van het bbp heeft gelanceerd. Zelfs volgens de eigen begrotingsregels kan de regering nog tot 1% van het bbp aanvullende stimuleringsmaatregelen nemen. Doel is immers een begrotingsevenwicht, rekening houdend met het effect van de cyclus. Gezien de lage rente is de ruimte voor extra begrotingsstimulansen vermoedelijk veel groter dan 1% van het bbp. Een overheidsinvesteringsprogramma zou zinvol zijn en belastingverlagingen om de vraag van de private sector te stimuleren, zijn de moeite van het overwegen waard. Verder zou een verhoging van het minimumloon de binnenlandse vraag ook steunen.