Bouwsector in rustiger vaarwater

door: Madeline Buijs , Casper Wolf

Zowel de Nederlandse economie als de woningmarkt komen in rustiger vaarwater. Dit heeft gevolgen voor de bouwsector, die zal naar verwachting in 2019 en 2020 minder hard groeien. Bouwondernemers blijven desondanks positief. Het ondernemersvertrouwen is hoog, maar is de afgelopen kwartalen niet verder gestegen. Het ondernemersvertrouwen in de bouw ligt nog een stuk hoger dan in Nederland als geheel.

Lees meer in de nieuwe Stand van de Bouw van april 2019:

Stand-van-de-Bouw-april-2019-1.pdf (2 MB)
Download

Orderportefeuille stabiliseert op hoog niveau

De orderportefeuille van bouwers bevindt zich op een zeer hoog niveau. In januari 2019 bedroeg de orderportefeuille 9,9 maanden. De afgelopen maanden schommelde de orderportefeuille rond de 10 maanden. Zowel de orderportefeuille van woningbouwers (11,8 maanden) als die van utiliteitsbouwers (9,9 maanden) bevindt zich op een zeer hoog niveau. De orderportefeuille van bouwers actief in de grond-, wegen- en waterbouw (gww) steekt hierbij wat mager af, maar is de afgelopen tijd wel flink toegenomen. In januari bedroeg de orderportefeuille 7,9 maanden. De wegenbouwers hebben voor 6,6 maanden werk, terwijl
de grond- en waterbouwers voor 9,2 maanden werk hebben. De orderportefeuille van de installateurs daalde in november 2018 licht van 8,3 naar 7,9 maanden, maar bevindt zich ook op een hoog niveau. Ook de orderportefeuille van architecten liep in november wat terug, van 5,4 naar 5 maanden. De orderportefeuille van ingenieurs steeg verder, van 5,4 naar 5,8 maanden. De orderportefeuille van de hout- en bouwmaterialenindustrie laat begin 2019 een flinke opleving zien. In maart 2019 kwam de orderportefeuille uit op 4,5 maanden. Die is voor de hout- en bouwmaterialenindustrie niet eerder zo hoog geweest.

Vooral woningtekort in grote steden in 2030

Niet overal zal er in 2030 sprake zijn van een woningtekort. Veel gemeenten aan de randen van Nederland hebben in 2030 een woningoverschot. Het grootste woningoverschot zal in de gemeente Kerkrade ontstaan. Daar zijn dan 1.454 woningen te veel. Daarna volgen de gemeentes Heerlen en Sluis. In grote delen van Nederland is in 2030 sprake van een woningtekort. Ook in delen van Groningen, Friesland, Limburg en Zeeland (krimpgebieden) ontstaat een woningtekort. Dit is meestal geconcentreerd rond de grotere steden (Groningen, Maastricht, Middelburg). Uiteindelijk zijn Friesland en Zeeland de enige provincies waar in 2030 sprake is van een woningoverschot. Alle andere provincies kennen als geheel een woningtekort. Opvallend is dat in de provincies Drenthe en Limburg, waar veel krimpgebieden zijn, het absolute woningtekort groter zal zijn dan in Flevoland. Een provincie met een jonge bevolking en de aantrekkingskracht van de nabijheid van Amsterdam.

Minder bouw nieuwe woningen, vooral in stedelijke gebieden

De bouw van nieuwe woningen loopt de komende jaren terug, ondanks het oplopende woningtekort. Het aantal afgegeven vergunningen daalde in 2018 met 5,7 procent. Niet geheel toevallig worden de meeste woningen de komende tijd in de grote steden gebouwd, waar het woningtekort het grootst is. In 2018 werden de meeste vergunningen voor nieuwe woningen afgegeven in Den Haag en Amsterdam. In beide steden betreft het in meerderheid vergunningen voor nieuwe huurwoningen. Deze steden worden op de voet gevolgd door Utrecht, Groningen, Almere en Rotterdam. Ook in Noord-Brabant trekken de grote steden de kar. De meeste
vergunningen zijn daar afgegeven in Breda, Eindhoven Tilburg en Den Bosch. In de twee zuidelijke provincies zijn in 2018 relatief weinig vergunningen afgegeven. Uitzondering is Maastricht, waar vooral vergunningen voor nieuwe koopwoningen zijn afgegeven. In Friesland en Drenthe zijn vooral veel vergunningen in Heerenveen en Assen afgegeven. Ook hier is de trend dus zichtbaar dat de grotere steden de meeste aantrekkingskracht hebben. Buiten de Randstad en de grote steden in de rest van het land is er een concentratie van woningbouw te zien in de regio Apeldoorn, Ede, Barneveld. Daar worden vooral koopwoningen gebouwd.

In de grote steden worden relatief veel nieuwe huurwoningen gebouwd. Daar zie je dat er meer vergunningen voor nieuwe huurwoningen dan voor koopwoningen worden afgegeven. Gemeentes proberen dus hun woningvoorraad zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de vraag. Uitzondering is Rotterdam waar relatief weinig nieuwe huurwoningen worden gebouwd. Daarentegen zijn er nog veel gemeentes waar de komende tijd helemaal geen huurwoningen worden gebouwd, omdat daar geen vergunningen voor zijn afgegeven. Dit is het geval in de provincie Groningen, Zeeland en Limburg. De huurwoningen in deze provincies nog
worden gebouwd staan meestal in de grotere steden. Afgezien van de grotere steden zijn dit ook gebieden waar minder jongeren naartoe verhuizen die vaker in een huurwoning gaan wonen.

Veel nieuwe hallen en loodsen

De investeringen in de utiliteitsbouw (nieuwbouw en renovatie) nemen de komende jaren toe. In 2018 steeg de waarde van de afgegeven vergunningen met 7,8% tot 6,3 miljard euro. Het grootste deel van deze investeringen zal de komende jaren in het westen van Nederland worden uitgegeven en daar is ook een grote stijging van de investeringen te zien. Ook in het noorden van Nederland stijgen de investeringen, maar is het absolute bedrag een stuk lager. In het oosten en zuiden van Nederland nemen de investeringen af ten opzichte van 2017. Het grootste deel van de investeringen worden de komende jaren gedaan in hallen en loodsen. Er is veel vraag naar nieuwe distributiecentra door de sterke stijging van online winkelen. Daarvoor worden nieuwe, volledig geautomatiseerde distributiecentra gebouwd. Het grootste deel wordt gebouwd in het zuiden van Nederland, wat een aantal logistieke hubs kent.

Grote verschillen verdeling regionale infrabudgetten

De verdeling van de regionale budgetten die vanuit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) door het Ministerie van IenW worden uitgegeven verschilt sterk. De regio Noordwest-Nederland krijgt het meeste budget. Daar kan de komende vijf jaar ruim 16 miljard euro worden uitgegeven. Een stijging van bijna 6 procent ten opzichte van de begroting van vorig jaar. Grote projecten in de regio Noordwest-Nederland zijn de bereikbaarheid van de A1/A6/A9 Schiphol-Amsterdam-Almere, het Zuidasdok en de renovatie van de Afsluitdijk. De meeste regio’s krijgen in 2019 meer budget ten opzichte van 2018. Enige uitzondering is de regio Noord-Nederland waar het budget met 1,7 procent terugloopt. In het noorden gaat vooral geld naar de betere bereikbaarheid van de regio, zoals de Zuiderzeelijn en de zuidelijke ringweg rondom Groningen. De komende jaren wordt ruim 2,8 miljard euro uitgegeven in de provincies Overijssel en Gelderland. Er zijn relatief veel projecten om het spoor in deze provincies te verbeteren, zoals bij Geldermalsen en tussen Utrecht en de Duitse grens. Een groot deel van het budget gaat echter naar verbetering van een aantal snelwegen in deze provincies, zoals de A12/A15 rondom Arnhem en de A1 tussen Apeldoorn en Azelo. In de provincies Noord-Brabant en Limburg wordt de komende jaren ruim 3,6 miljard euro geïnvesteerd in de infrastructuur, een lichte stijging ten opzichte van het budget uit 2018. Er zijn veel waterprojecten, zoals het verbeteren van de Maasroute en het Wilhelminakanaal bij Tilburg. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in snelwegen, zoals de A2 in Limburg en de A27 in Noord-Brabant. In Zuidwest-Nederland wordt de komende jaren ruim 6,9 miljard euro geïnvesteerd. Veel snelwegen in de regio worden aangepakt, maar ook een hoogwaardig OV tussen Leiden en Utrecht en uitbreiding van het spoor tussen Rotterdam en Den Haag.

Veiligheid in de bouw laat nog te wensen over

In de enquête die ABN AMRO liet uitvoeren voor het rapport over faalkosten in de bouwsector werd een link gelegd tussen faalkosten en veiligheid. Van alle respondenten gaf 62 procent aan dat er een positief verband is tussen veiligheid en faalkosten. Volgens de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie
SZW) behoort de bouw, samen met afvalbeheer, tot de twee sectoren met de grootste kans op ongevallen. Dat is bijna twee keer zo hoog als in de Industrie en bijna vijf maal zo hoog als het gemiddelde van alle sectoren. Het aantal bedrijfsongevallen in de bouw is in de periode 2012-2016 zelfs gestegen van 120 naar 144 per 100.000 werknemers.

In alle sectoren komen ongevallen vaker voor bij kleine (<10 werknemers) en middelgrote (10-99 werknemers) bedrijven dan bij grote (>100 werknemers) bedrijven. Bij kleine bedrijven is het aantal bedrijfsongevallen in de periode 2012-2016 gestegen van ongeveer 50 naar bijna 80 ongevallen per 100.000 werknemers. In de bouw zijn relatief veel kleine ondernemingen actief.

Volgens Inspectie SZW liggen de oorzaken voor (dodelijke) arbeidsongevallen met name (38%) in het gebrek aan motivatie, alertheid en veiligheidsbewustzijn. Het menselijke gedrag is dus een belangrijke factor voor ongelukken. De recente economische ontwikkelingen zijn positief voor de bouwsector maar lijken ook een
belangrijke factor te zijn voor de gestegen arbeidsongevallen. Doordat er meer werk is, zijn er meer werknemers op de bouwplaats en dus meer mensen die risico lopen om slachtoffer te worden van een bedrijfsongeval. Daarbij komt dat in de bouw er een tekort is aan personeel. Er ontstaat daardoor grote druk op werknemers om meer te produceren. De gestegen druk werkt het maken van fouten en dus ongelukken in de hand.