Monitor Duurzaamheid – Klimaatwijzer, het klimaatakkoord en de industrie

door: Hans van Cleef , Arnold Mulder , Sandra Phlippen

Vandaag zal de Tweede Kamer debatteren over het ‘ Ontwerp van het Klimaatakkoord ’ dat eind december werd gepresenteerd. Weinig mensen zullen zich helemaal door de 233 pagina’s met soms vaag of ingewikkeld taalgebruik hebben geworsteld. Om toch goed voorbereid te zijn voor het debat, publiceren we een helder stroomschema van afspraken en twistpunten aan de Industrietafel.

Monitor-Duurzaamheid-Klimaatwijzer-het-klimaatakkoord-en-de-industrie-1.pdf (121 KB)
Download

Wie hebben er afspraken gemaakt over de industrie?

Het voorstel vanuit de industrietafel is een convenant tussen overheid en bedrijfsleven over een emissiereductie van 14,3 megaton CO2 in 2030 bovenop staand beleid van 5,1 megaton reductie.
Deze extra reductie is nodig als vervolgstap op het Energieakkoord, om de reductiedoelstelling voor 2030 te halen: 49% CO2-reductie ten opzichte van 1990.

Om deze emissiereductie te bereiken zijn afspraken gemaakt over investeringen en subsidies in emissie-reducerende nieuwe technologieën en markten (groeimarkten). Daarnaast zijn er voorstellen gedaan om te komen tot bedrijfsspecifieke reductieafspraken, de zogenaamde competitive climate deals.

Momenteel zijn het CPB en het PBL bezig met doorrekeningen van de plannen. Naar verwachting zal op 13 maart duidelijk worden hoeveel emissiereductie het voorstel oplevert, wat de kosten zijn en hoe die kosten neerslaan in de samenleving. Tijdens het Tweede Kamer debat zal dus nog niet duidelijk zijn of de afspraken voldoende zijn om de doelstellingen (49% minder CO2-emissies in 2030) te halen.

Wanneer uit de doorrekening blijkt dat de plannen onvoldoende emissiereductie opleveren, kan de regering de opgave teruggeven aan de onderhandelingstafel, waaraan ook bedrijven en NGO’s zitting hebben. Dat wil zeggen, áls de NGO’s besluiten weer deel te nemen aan mogelijke vervolggesprekken. Het kabinet kan echter ook besluiten om zelf naar de plannen kijken en noodzakelijke aanpassingen te doen.

Wat is er afgesproken?

Alle industriële bedrijven zijn verplicht hun emissie te reduceren aan hun eigen ‘schoorsteen’. Deze reductie moet gezamenlijk optellen tot 14,3 megaton CO2. Daarbij worden de volgende drie type industriële bedrijven onderscheiden: de kleine uitstoters, de middelgrote uitstoters en de zware vervuilers.

Kleine uitstoters:
Bedrijven die zo’n 10 kiloton CO2 of minder uitstoten per jaar worden niet gemonitord. Deze bedrijven committeren zich aan de invoering van reductiemaatregelen die staan uitgewerkt in een door de overheid opgestelde lijst van ‘erkende’ maatregelen.

  • Twistpunt: Een punt dat mogelijk terug zal komen in het Tweede Kamer debat, is dat zo’n lijst onmogelijk uitputtend kan zijn. Hoe ga je om met maatregelen die wel goedkoop CO2 reduceren, maar niet op de lijst van de overheid staan? Hoe voorkomen we dat innovatieve voorlopers geen erkenning krijgen voor gemaakte stappen?

Middelgrote uitstoters
Bedrijven die meer dan 10 kiloton CO2 uitstoten worden vanaf het tweede kwartaal in 2019 wettelijk verplicht een emissiereductieplan op te stellen. Deze plannen moeten voldoen aan overheidsdoelstellingen en moeten uiterlijk eind 2019 zijn ingediend. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal de ingediende plannen beoordelen, en zal dit middels rapportages van de bedrijven jaarlijks herhalen. Het ingediende plan wordt niet alleen beoordeeld op het halen van een reductiedoel, maar ook op betrouwbaarheid en controleerbaarheid van de voorgestelde maatregelen.

  • Twistpunt: Een aandachtspunt hierbij is dat het RVO beoordeelt of de plannen voldoende ambitieus zijn. Maar wat is voldoende? Hoe kan een externe partij als de RVO beoordelen welke mogelijkheden individuele bedrijven tot hun beschikking hebben? Om te weten hoe hoog de ‘lat’ per bedrijf gelegd kan worden, zijn de experts van de RVO grotendeels afhankelijk van informatie van de bedrijven in kwestie. Deze bedrijven bepalen dus zelf mee hoe hoog de ‘lat’ is waar zij overheen moeten. De overheid zal moeten voorkomen dat dit vooruitgang in de weg zit.

Grote uitstoters
Grote uitstoters zullen ook een reductieplan moeten maken maar zitten daarnaast ook aangesloten op het Europese Emissiehandelssysteem ETS, en zullen daaronder blijven vallen. Ieder jaar worden er onder het ETS minder CO2 emissierechten uitgegeven aan de grote uitstoters, aflopend naar nul in 2057, om te zorgen dat de zware industrie zal voldoen aan Europese emissiereductieafspraken. Naarmate emissierechten schaarser worden, zal de Europese CO2 prijs steeds verder stijgen. Daarmee worden grote uitstoters ook aangezet om CO2 te reduceren.

  • Twistpunt: De Europese CO2 prijs is een marktprijs en is daarom volatiel. Veranderingen in grondstofprijzen of economische groei kunnen zorgen voor prijsfluctuaties en investeringsonzekerheid bij bedrijven. Om dit te voorkomen is in het klimaatakkoord afgesproken dat er een minimale CO2-prijs komt voor elektriciteitsproducenten waarbij hun CO2-prijs oploopt van EUR 12,30/ton CO2 in 2020 tot EUR 31,90 in 2030. Elektriciteitsbedrijven (of utilities) hebben daardoor zekerheid dat de prijs niet onder deze bodem zal vallen. Dit neemt investeringsonzekerheid weg en voorkomt mogelijke problemen met leveringszekerheid van elektriciteit.
    In het publieke debat wordt gediscussieerd of een dergelijke minimumprijs er ook voor de industrie zou moeten komen. Ook wordt voorgesteld om een (veel) hogere CO2 belasting te heffen bovenop de marktprijs. Het belangrijkste tegenargument hierbij is dat een (veel) hogere CO2 belasting zal leiden tot een Europees ‘waterbedeffect’, zonder klimaatwinst. Immers, als Nederlandse bedrijven door de belasting sneller CO2 gaan reduceren, houden ze Europese emissierechten over. Deze kunnen vervolgens worden gebruikt door de industrie in de rest van Europa, waardoor versnelling in Nederland kan worden weggestreept door vertraging in de rest van Europa. Om het waterbedeffect te ondervangen zou de overheid daarom de samenhang tussen nationale emissiereductieplannen en het Europese ETS goed in de gaten moeten houden.

Afspraken waarmaken: welke stokken zitten achter de deur?

Om via bedrijfsspecifieke afspraken tot de geplande emissiereductie te komen, zijn er vanuit de overheid drie ‘stokken achter de deur’. Deze hebben betrekking op de middelgrote en grote uitstoters. De grote uitstoters hebben daarnaast ook de prikkels van het ETS die hen tot emissiereductie aanzetten.

Stok 1: Toegang tot investering- en subsidieregelingen
RVO gaat voor ieder plan beoordelen of dit gaat leiden tot het halen van de doelstelling. Bedrijven worden teruggestuurd naar de tekentafel, wanneer hun plannen onvoldoende zijn. Zonder reductieplan kunnen bedrijven niet gebruikmaken van de investering- en subsidieregelingen die opgesteld worden. In de zomer van 2020 moet er een door de RVO goedgekeurd plan zijn per bedrijf.

Stok 2: Boetes
Wie halverwege 2020 geen goedgekeurd emissiereductieplan heeft, krijgt een oplopende CO2 minimumprijs opgelegd die begint bij 30 euro per ton CO2 in 2021. Bedrijven die zich niet houden aan hun goedgekeurde reductieplan krijgen dezelfde boete per ton CO2 uitstoot voor zover die boven hun eigen target ligt. Als bedrijven zich meer dan twee jaar niet aan hun reductieplan houden, wordt de boete als bonus uitgekeerd aan andere bedrijven die zich wel aan hun reductieplan houden.

Stok 3: Herijking met Parijs en Klimaatwet wanneer nodig
Elke 5 jaar wordt bekeken of de totale emissiereductie die door al deze afspraken tot stand komt in lijn is met het reductiedoel van 49 procent emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990 en 55 procent emissiereductie in 2050 (Klimaatwet). Wijkt het pad af van dit doel dan worden de afspraken bijgestuurd.

Figuur 1: een gesimplificeerde weergave van de beheersstructuur rondom de bedrijfsspecifieke afspraken