Nederlandse economie in zicht – Daling werkloosheid vrijwel voorbij

door: Nico Klene

  • De daling van de werkloosheid is in het tweede kwartaal duidelijk afgezwakt, maar dat is niet per se een ongunstig teken
  • Veranderingen in het aantal werklozen zijn het gevolg van diverse omvangrijke stromen op de arbeidsmarkt
  • Het aantal werklozen dat een baan vindt, neemt inmiddels al geruime tijd weer af. Het gunstige effect op de werkloosheid wordt dus kleiner
  • In de voorbije jaren hebben steeds minder mensen hun baan verloren. Maar in de meest recente maanden lijkt aan deze positieve ontwikkeling (tijdelijk?) een eind te zijn gekomen
  • Een belangrijke oorzaak van de geringere daling van de werkloosheid is dat steeds minder werklozen zijn gestopt met het zoeken naar werk. Kennelijk houden zij er vertrouwen in dat ze werk gaan vinden. Ze blijven daarmee werkloos en dat zwakt de afname van de werkloosheid af. Vooral in het tweede kwartaal was dit zichtbaar
  • In toenemende mate zijn het nieuwe toetreders op de arbeidsmarkt die een baan hebben gevonden – in plaats van werkloze personen
  • De ‘officiële’ werkloosheid zal waarschijnlijk nog maar weinig verder dalen; een ‘bodem’ lijkt hier in zicht. De vrijkomende banen zullen vooral door nieuwe toetreders worden ingenomen of door deeltijders die meer uren willen werken. Daar zit nog de meeste rek
Ned-economie-in-zicht-werkloosheid-aug18.pdf (188 KB)
Download

Daling van de werkloosheid is duidelijk afgenomen – hoe komt dat?

De werkloosheid is de voorbije jaren duidelijk afgenomen. Maar aan die daling lijkt in het tweede kwartaal vrijwel een einde te zijn gekomen (zie grafiek volgende blz.). Het aantal werklozen daalde in de periode april-juli gemiddeld nog maar met 2000 per maand. In het halfjaar daarvoor was dit nog gemiddeld 11.000. Hoe kan dat? De economie draait toch nog steeds goed? Is er reden tot zorg?

  

Om deze vraag te beantwoorden, kijken we eerst naar wat ‘werkloos’ eigenlijk is. Volgens de internationale definitie zijn werklozen: personen (van 15 tot 75 jaar) zonder betaald werk, die actief naar werk hebben gezocht én daarvoor beschikbaar zijn. Iemand zonder baan die niet voldoet aan deze drie criteria, kan niet ‘officieel’ als werkloos tellen. Zij vallen in de statistieken ‘buiten’ de arbeidsmarkt; ze behoren tot de ‘niet-beroepsbevolking’. ‘Werkloos’ of ‘werkloosheid’ zijn dus statistische begrippen.

Stromen naar en uit de werkloosheid

De afname of toename van het aantal werklozen is het gevolg van verschillende stromen op de arbeidsmarkt. Aan de ene kant zijn er mensen die op een gegeven moment niet langer werkloos zijn (werkloosheid daalt), terwijl er aan de andere kant mensen zijn die juist werkloos worden (werkloosheid stijgt).

Je zou werkloosheid (de ‘werkloze beroepsbevolking’) kunnen vergelijken met water in een badkuip. Er kan water in én er kan water uit. Of het waterpeil in het bad stijgt of daalt, hangt af van de kracht waarmee het water erin en eruit stroomt.

Bovenstaande grafiek brengt dit in beeld. Het gaat om vier stromen. Bij een stijging of daling van de werkloosheid denken de meeste mensen vermoedelijk vooral aan personen die hun baan verliezen en aan werklozen die weer aan de slag gaan (linker deel grafiek). In de voorbije drie maanden gingen 95.000 werklozen aan de slag. Daartegenover staan 62.000 mensen die juist hun baan verloren. Omdat dat er minder waren, was per saldo het effect op de werkloosheid gunstig, namelijk −33.000.

De feitelijke werkloosheid (‘het water in de badkuip’) daalde echter veel minder. Dat komt door twee andere stromen in en uit de werkloosheid (rechter deel grafiek). Het gecombineerde effect van die twee stromen stuwde het aantal werklozen op met 26.000. Al met al nam het aantal werklozen daardoor maar af met 7000.

Het blijkt nu dat de recente zwakkere daling van de werkloosheid vooral te maken heeft met de (geslonken) stroom rechtsonder in de grafiek. Het aantal werkloze mensen dat ophoudt met zoeken naar werk, is afgenomen. Kennelijk houden ze er vertrouwen in dat ze werk gaan vinden, omdat het zo goed gaat met de economie. Zo beschouwd, kun je dat een positief teken vinden.

We gaan nu wat dieper in op de vier stromen in en uit de werkloosheid.

Stromen tussen werkloosheid en werk

In onderstaande grafieken zien we de eerste twee tegengestelde stromen: enerzijds mensen die hun baan verliezen en werkloos worden (geel), terwijl anderzijds werklozen een baan vinden (groen). Ten tijde van de ‘magere jaren’ (eind 2008-2013) verloren meer mensen hun baan dan dat werklozen een baan vonden. Dat zorgde voor een stijging van de werkloosheid.

  

Dankzij het economisch herstel is sinds begin 2014 het aantal werkende mensen dat werkloos werd, weer gestaag afgenomen. Tussen midden 2013 en midden 2015 nam óók het aantal werklozen dat een baan vond, toe. Door deze twee positieve ontwikkelingen wordt de werkloosheid sinds mei 2014 gedrukt (grijze lijn in grafiek). Wel is dit saldo in de laatste maanden wat afgenomen. We zien namelijk al een tijdje dat minder werklozen een baan vinden. En in het tweede kwartaal van dit jaar nam ook het aantal mensen dat zijn baan verloor, iets toe. Dat neemt niet weg dat de werkloosheid in de voorbije drie maanden per saldo nog altijd met 33.000 werd gedrukt. We noemden dit cijfer al.

Het gaat niet alleen om mensen die baan verliezen, en werklozen die werk vinden

We zagen al dat er nóg twee stromen in en uit de werkloosheid zijn. Daarbij gaat het onder meer om mensen die (weer) naar werk zijn gaan zoeken én beschikbaar zijn , maar niet meteen werk vinden; vanaf dat moment zijn ze volgens de gangbare definitie werkloos. Aan de andere kant zijn er ook werklozen die zich terugtrekken van de arbeidsmarkt (ze stoppen met zoeken en/of zijn niet meer beschikbaar). Dat is dus een stroom uit de werkloosheid. Zoals gezegd, is deze laatste stroom in het tweede kwartaal verder geslonken. Deze mensen hebben nog geen werk gevonden, maar ze laten zich niet ontmoedigen. Ook ten tijde van de vorige hoogconjunctuur, zo’n tien jaar geleden, deed zich dat voor. Met name door deze geslonken stroom is de afname van het aantal werklozen recentelijk afgezwakt.

  

Al met al zien we dat een daling (of stijging) van het aantal werklozen de resultante is van vier veel omvangrijker stromen in en uit de werkloosheid. Tussen april en juli daalde de werkloosheid per saldo met een bescheiden 7000 personen. Het aantal banen bleef echter stevig toenemen. In die drie maanden kwamen er weer 52.000 werkenden bij. Dát beeld bleef dus gunstig.

Zes stromen op de arbeidsmarkt

De grafiek op de vorige bladzijde laat het totaalbeeld zien van de stromen op de arbeidsmarkt. Naast de vier stromen in en uit de ‘werkloze beroepsbevolking’, zien we nóg twee stromen. Dat zijn onder meer mensen die stoppen met werken en de arbeidsmarkt verlaten. Zij worden echter niet werkloos. Denk bijvoorbeeld aan mensen die met pensioen gaan. Aan de andere kant zien we mensen die zijn gaan zoeken naar werk en meteen een baan vinden. (Denk onder meer aan schoolverlaters.) Dit laatste aantal is in de voorbije jaren per saldo iets toegenomen.

Banen gaan steeds meer naar nieuwe toetreders

Maar hun succes ging ten koste van werklozen op zoek naar een baan. Het aantal werklozen dat een baan vindt, laat al geruime tijd een afname zien. Voor de duidelijkheid: er zijn nog steeds werklozen die aan de slag gaan. In de periode april-juli waren dat er nog altijd 95.000 (zie rechter grafiek).

  

Dat neemt niet weg dat de werkloosheid fors is gedaald, maar recentelijk is de daling afgezwakt. In juli bedroeg de werkloosheid 3,8% van de beroepsbevolking. Dat is maar weinig meer dan het laagste niveau tijdens de vorige hoogconjunctuur, tien jaar geleden (3,6%). Het gaat om nog maar ruim 20.000 personen. Als je bedenkt dat de Nederlandse economie in de twee jaar vóór 2008 met gemiddeld 3,7% groeide tegen ‘slechts’ gemiddeld 2,5% in 2016-2017, dan zou je kunnen zeggen dat de bodem in zicht lijkt, al groeit de economie ook dit jaar nog stevig door.

Komt een ‘bodem’ in zicht?

Is er een reden om te denken aan een soort bodem voor de werkloosheid? Mogelijk komt de daling van de werkloosheid tot stilstand omdat er werklozen overblijven die niet de benodigde kwaliteiten hebben voor de beschikbare banen. Werkgevers hebben bijvoorbeeld vrachtwagenchauffeurs nodig en niet administratief medewerkers (die werkloos zijn). Her- en bijscholing kan hier een oplossing zijn.

Als we naar de statistieken van het CBS kijken, valt op dat het aantal oudere werklozen wat minder afneemt dan gemiddeld. Gevolg is dat het aandeel van ouderen in de werkloosheid is gestegen. Bij het aantal mensen dat langdurig werkloos is (meer dan één jaar), zien we dat nog sterker. Ook in de jaren voor de zomer van 2008 was dat het geval.

De analyse is niet volledig, maar het lijkt dat oudere werklozen moeilijker aan een baan kunnen komen.

Wie gaan de extra banen vervullen?

Momenteel is er nog veel vraag naar werkenden, zoals ook te zien is in onderstaande grafiek. Het aantal vacatures dat ontstaat, neemt nog steeds toe. Weliswaar worden ook steeds meer vacatures vervuld, maar dat zijn er minder. Daardoor neemt het aantal openstaande (niet-vervulde) vacatures verder toe. In het tweede kwartaal liep dit aantal op naar een nieuw record. Deze open plekken moeten dus nog worden vervuld.

Vanwege de nog altijd gunstige conjunctuur gaan we ervan uit dat het aantal banen blijft toenemen. We schatten de gemiddelde maandelijkse stijging dit jaar op zo’n 15.000. Wel zal de banengroei – met name volgend jaar – wat afvlakken omdat de economische groei naar verwachting gaat afnemen.

Dankzij de banengroei kan de werkloosheid nog iets verder afnemen. We verwachten dat de werkloosheid daalt naar gemiddeld 3,5% in 2019 , iets onder het niveau van 2008.

Ruimte zit vooral bij nieuwe toetreders op de arbeidsmarkt en bij deeltijders

Maar net als tien jaar geleden zit er meer rek in de arbeidsmarkt dan de daling van de (officiële) werkloosheid doet vermoeden. We zagen immers dat ook mensen die buiten de arbeidsmarkt stonden, een baan hebben gevonden. Het gaat in feite om het ruimere begrip ‘onbenut arbeidspotentieel’. Dat zijn niet alleen de ‘officieel’ werklozen, maar ook personen die net niet voldoen aan de definitie van ‘werkloos’. Zoals mensen die óf naar werk hebben gezocht óf direct kunnen beginnen. Daarnaast gaat het om deeltijdwerkers die méér uren willen en kunnen werken. Je zou dat ‘onderbenut potentieel’ kunnen noemen. We spreken in dit verband ook wel van de ‘brede werkloosheid’.

De volgende grafiek laat zien dat de officiële werkloosheid inmiddels dichtbij het lage niveau van 2008 zit, maar dat de brede werkloosheid er nog wat meer vanaf zit. Vooral dáár zit nog ruimte voor een verdere afname. Als we het beeld (zie grafiek) vergelijken met dat van 2008, lijkt de meeste ruimte te zitten bij deeltijders die meer willen werken.

Maatregelen waardoor mensen worden gestimuleerd om meer uren te gaan werken, kunnen hier soelaas bieden.