Nederlandse economie in zicht – Loonstijging gaat versnellen

door: Nico Klene

  • De loonstijging gaat toenemen door de verder oplopende spanning op de arbeidsmarkt. We voorzien voor 2019 een stijging van de contractlonen van ongeveer 3%
  • Dankzij de sterke economische groei blijft het aantal banen flink toenemen. Daardoor kan de werkloosheid verder dalen tot 3½% van de beroeps¬bevolking. Dat is nog iets onder het lage peil van de vorige hoog¬conjunctuur, tien jaar geleden
  • Ook de ‘brede’ werkloosheid daalt verder. We doelen hiermee op alle personen die willen werken of meer uren willen werken
  • Hoewel er nog flink wat personen extra aan het werk kunnen, lijkt dat niet voldoende om de banengroei op te kunnen vangen. Berekeningen suggereren dat voor de geraamde 300 duizend extra banen in 2018-2019 vermoedelijk 285 tot 350 duizend mensen beschikbaar zullen zijn. En zij moeten dan ook nog eens de goede kwalificaties hebben
  • Zeker is die stevige versnelling van de loonstijging uiteraard niet. Het is denkbaar dat onder meer door structurele veranderingen op de arbeidsmarkt de loonontwikkeling toch lager uitvalt. Aan de andere kant zou de loonstijging ook nog wat hoger kunnen uitvallen vanwege de btw-verhoging in 2019
Ned-economie-in-zicht-apr18-1.pdf (443 KB)
Download

Druk op de lonen neemt toe door krappe arbeidsmarkt

De werkloosheid in Nederland laat al geruime tijd een daling zien. De loonstijging is echter achtergebleven. Maar dat blijft waarschijnlijk niet zo. We verwachten dat de lonen binnenkort toch echt harder gaan stijgen. De krapte op de arbeidsmarkt neemt namelijk verder toe en zal tot meer spanning leiden en daarmee tot meer druk op de lonen. Berekeningen geven een aanwijzing dat er waarschijnlijk onvoldoende personen aan de slag zullen gaan om de stevige banengroei op te kunnen vangen.

Steeds meer mensen aan het werk …

Sinds de piek in februari 2014 is de werkloosheid in Nederland bijna gehalveerd. Dat is te danken aan de stevige economische groei die heeft gezorgd voor een flinke toename van het aantal banen. In maart waren er ruim een half miljoen mensen méér aan de slag dan begin 2014. Daardoor kon de werkloosheid slinken met zo’n 340.000 personen.

  

Er is een flink verschil tussen deze twee cijfers. Dat geeft aan dat ook mensen een baan hebben gevonden die eerder buiten de arbeidsmarkt stonden. Deze mensen hadden weliswaar geen werk, maar werden toch niet als werkloos geteld omdat ze dat volgens de gangbare definitie niet waren. Je wordt alleen als werkloos geteld als je zonder werk zit maar wel zoekt naar werk én direct beschikbaar bent. Als je niet zoekt en/of niet meteen beschikbaar bent, ben je formeel dus niet werkloos.

Dit laat zien dat het officiële werkloosheidscijfer beperkingen heeft. De ‘inactiviteit’ in ons land is omvangrijker dan het werkloosheidscijfer.

… maar loonstijging nog gematigd

Terwijl de werkloosheid fors is afgenomen en al bijna weer op het lage niveau ligt van de vorige periode van hoogconjunctuur, tien jaar geleden (vóór de Grote Recessie), is de loonstijging nog aan de lage kant. (Dit fenomeen doet zich overigens niet alleen in Nederland voor.) In 2008 liep de contractloonstijging in de particuliere sector in ons land op tot 3½% jaar-op-jaar. In het eerste kwartaal van 2018 lag dat cijfer echter nog onder 2%.

Dat roept de vraag op hoe dat komt. Is de situatie nu anders dan in eerdere perioden van conjunctureel herstel? Doorgaans wordt er dan op gewezen dat er sprake is van wezenlijke veranderingen op de arbeidsmarkt. Door herstructureringsmaatregelen is de arbeidsmarkt flexibeler geworden. Er zijn veel meer en flexibele banen bij gekomen (denk aan zzp’ers en tijdelijke contracten), terwijl het aantal vaste banen is afgenomen. De onderhandelingsmacht van werkenden is daardoor afgenomen, waardoor de loonstijging maar licht oploopt. Ook de globalisering, die gepaard gaat met meer internationale concurrentie, wordt vaak als een factor genoemd.
We wijzen op nog enkele andere factoren. Zo is de inflatie nu ruwweg 0,75%-punt lager dan tien jaar geleden. Ook groeit de economie iets minder sterk. In zowel 2006 als 2007 nam het bbp toe met 3,7%. In 2016 en 2017 was dat 2,1% en 3,3%.

Vertraagde reactie van lonen is niet ongebruikelijk

Het Centraal Planbureau (CPB) wijst er in het Centraal Economisch Plan 2018 op dat de contractlonen vertraagd reageren op een verkrapping van de arbeidsmarkt (zie ook grafiek boven). Inderdaad is nu nog niet sprake van een forse loonstijging, maar er lijkt geen groot verschil met tien jaar geleden, zo stelt het CPB. De contractloonstijging was eind 2007 – bij een lagere werkloosheid – niet veel hoger dan in 2017. Pas in de loop van 2008 versnelde de contractloonstijging: van iets meer dan 2% in het laatste kwartaal van 2007 naar 3½% in het tweede kwartaal van 2008.

De vraag is nu of we opnieuw een versnelling van de loonstijging kunnen verwachten. Een aanwijzing daarvoor leveren indicatoren van arbeidsmarktkrapte. Uit de linker grafiek blijkt dat de arbeidsmarkt de voorbije jaren weliswaar flink krapper is geworden maar eind vorig jaar nog niet zo krap was als tien jaar geleden.

  

De rechter grafiek hiervoor laat zien dat in de periode 2010-2015 het aantal vaste banen flink is afgenomen. Het aantal flexbanen nam echter wel toe. Pas in 2016 liet het aantal vaste banen weer een stijging zien en pas eind vorig jaar kwamen er meer vaste banen bij dan flexbanen (t.o.v. vier kwartalen eerder). Procentueel (jaar-op-jaar) nam het aantal flexbanen overigens nog altijd meer toe dan het aantal vaste banen. Het lijkt erop dat bedrijven nu vaste contracten aanbieden om mensen binnen te halen. Ook tien jaar geleden heeft zich een omslag voorgedaan.

Meer krapte: ook de ‘brede’ werkloosheid neemt verder af

We gaan ervan uit dat de krapte zal toenemen. De aanhoudende stijging van de vacature-indicator van het CBS in de eerste drie maanden van dit jaar wijst daarop: het bedrijfsleven verwachtte in maart nog steeds een verdere stijging van het aantal vacatures.

De vraag is hoeveel ‘rek’ er nog in de arbeidsmarkt zit. De werkloosheid heeft nog niet het lage niveau van de zomer van 2008 bereikt (3,6% van de beroepsbevolking), maar zat er in maart al aardig dichtbij (3,9%). Het scheelt naar ruwe schatting nog geen 35.000 personen; dat is minder dan de daling van het aantal werklozen in de eerste drie maanden van dit jaar.

We wezen er eerder al op dat het officiële werkloosheidscijfer de inactiviteit onderschat. Er zijn immers ook personen die wel willen werken maar nu (nog) niet direct beschikbaar zijn of die onlangs niet hebben gezocht naar werk. Daarnaast zijn er personen die parttime werken en méér uren zouden willen en kunnen werken. De linker grafiek laat zien dat het aantal inactieven in ons land veel groter is dan alleen het aantal (formeel) werklozen. Deze ‘brede’ werkloosheid wordt ook wel de ‘U6’ genoemd. Ook deze indicator laat een daling zien (zie linker grafiek).

  

In de rechter grafiek wordt het totaal van de drie categorieën weergeven met de groene lijn. Eind vorig jaar was de brede werkloosheid gedaald naar het niveau van de eerste helft van 2007. Misschien wat verrassend: ook de loonstijging was in deze twee perioden vergelijkbaar. De recente, matige loonstijging lijkt dus niet ongewoon.

Het aantal banen blijft flink toenemen

Naar verwachting blijft de werkgelegenheid voorlopig toenemen. Wij schatten dat het aantal werkenden in de loop van 2018 en 2019 per saldo zal toenemen met een kleine 300.000 (t.o.v. eind 2017). De vraag is nu of de ‘brede’ werkloosheid, de arbeids¬reserve (thans 1,2 miljoen personen), groot genoeg is om teveel spanning op de arbeidsmarkt te voorkomen.

Lang niet alle inactieven gaan aan de slag …

Het is een illusie om te denken dat die 1,2 miljoen personen vrijwel geheel of grotendeels aan de slag zullen gaan, of meer uren gaan werken. Ter illustratie kijken we naar de ontwikkeling van de werkloosheid in vorige fasen van hoogconjunctuur. Cijfers van de ‘brede’ werkloosheid (U6) en de brede beroepsbevolking zijn helaas slechts beschikbaar vanaf begin 2003. Om verder terug te gaan in de tijd moeten we het daarom doen met ‘gewone’ werkloosheidscijfers. Lag het dal van de werkloosheid tien jaar geleden bij 3,6% van de beroepsbevolking, in 2001 was dat cijfer nog lager, namelijk 3,1%. Dat lage cijfer werd bereikt nadat de economie gedurende zes jaar met gemiddeld bijna 4%(!) per jaar was gegroeid. Ook bij die forse groei bleef dus een groot aantal personen werkloos.

… maar hoeveel inactieven gaan mogelijk wél aan het werk?

Wat zou nu een redelijke schatting zijn van de rek in de arbeidsmarkt? We zagen al dat er in de loop van dit en volgend jaar zo’n 300.000 personen extra aan de slag kunnen. Anders gezegd: eind 2019 zijn er 300.000 werkenden méér dan eind 2017.

De participatie ligt nu nog niet op het niveau van tien jaar geleden. De ‘brede’ werkloosheid als percentage van de uitgebreide beroepsbevolking (‘U6’) bedroeg in het laatste kwartaal van 2017 ruim 13%. Tien jaar geleden was dat ruim 10%. Dus duidelijk minder. Stel nu dat de inactiviteit in 2019 zou dalen naar hetzelfde niveau als in 2008, hoeveel inactieve personen zouden dan extra aan de slag gaan? Als we tevens rekening houden met de groei van de (beroeps)bevolking komen we uit op grofweg 285.000 à 350.000 personen. Dat lijken er te weinig om goed te kunnen voorzien in de extra vraag naar personeel vanwege de banengroei. Bedenk ook dat het niet alleen gaat om kwantiteit maar ook om kwaliteit. Anders geformuleerd: de mensen die willen werken, moeten de juiste kwalificaties hebben voor de aangeboden baan.

Kortom, het lijkt erop dat de spanning op de arbeidsmarkt verder toeneemt, ervan uitgaande dat de economie en daarmee de werkgelegenheid inderdaad zo sterk blijft groeien als we nu verwachten. Het is natuurlijk mogelijk dat we te optimistisch te zijn en de banengroei lager zal uitvallen. Recente economische indicatoren laten enige teruggang zien. We denken dat dit tijdelijk is, maar het kan ook het begin van een groeivertraging zijn.

Contractloonstijging versnelt waarschijnlijk naar 3%

De rek raakt er uit. De verwachte verder toenemende spanning op de arbeidsmarkt zal dit of volgend jaar – net als in 2008 – gaan zorgen voor sterkere loonstijgingen. Illustratief hiervoor zijn wellicht cijfers van de werkgeversvereniging AWVN. De in de eerste vier maanden (onder voorbehoud) afgesproken loonstijgingen voor 2018 laten een opwaartse trend zien. De in maart en april afgesproken contractloonstijgingen kwamen boven 2½% uit.

Daar komt bij dat volgend jaar de inflatie een sprong maakt door de verhoging van het lage btw-tarief. De vakbonden zullen dat in de loononderhandelingen willen meenemen. Al met al denken wij dat de contractloonstijging in de particuliere sector volgend jaar richting 3% gaat.

Een stijging van zo’n 3% is wel minder dan tien jaar geleden. Als gevolg van de btw-verhoging zou het cijfer echter nog wat hoger kunnen uitvallen dan 3%. Anderzijds is het denkbaar dat onder meer door structurele veranderingen op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld technologische ontwikkeling) de loonontwikkeling toch achterblijft.