De kosten van wind op zee – waar eindigt de prijzenoorlog?

door: Lisa McDermott

Afgelopen juli kwam in de langverwachte eerste biedingenstrijd voor de bouw van een windpark op zee in Nederland het Deense DONG Energy als duidelijke winnaar uit de bus. Voor slechts 60% van de geboden maximale subsidie van EUR 124/MWh beweerde DONG 22 km uit de Zeeuwse kust een windpark met 700MW aan opwekkingscapaciteit te kunnen bouwen, genoeg voor de jaarlijkse energievoorziening van een miljoen Nederlandse huishoudens. Gevolg was dat het in 2013 door de Nederlandse overheid beschikbaar gestelde budget van EUR 18 miljard, voor de subsidiëring van vijf aanbestedingen van elk 700 MW tussen 2015 en 2020, meteen met maar liefst EUR 2,3 miljard verlaagd kon worden.

DONG mag met deze bodemprijs dan wel het Ministerie van Economisch Zaken voor zich gewonnen hebben, maar de overige bieders die naast de aanbesteding grepen zaten meteen met de vraag of dit een eenmalige stuntprijs is, mogelijk gemaakt door de uitzonderlijk gunstige condities van het Borssele project, of toch de nieuwe realiteit voor de bouw van windparken op zee. Volgens Mel Kroon, CEO van TenneT, de netwerkbeheerder verantwoordelijk voor de verbindingen van nieuwe windparken met het vasteland, is het een uitgemaakte zaak. Als spreker op het ABN AMRO Offshore Wind Seminar op 1 september 2016 verwierp hij de suggestie dat het winnende bod in de volgende aanbestedingsronde, die op 29 september sloot, hoger zou kunnen uitvallen dan in ronde 1. “De lat ligt definitief lager”, zei hij, “en vanaf hier zullen de prijzen alleen maar verder dalen.”

Amper twee weken later leek zijn voorspelling uit te komen. Het Zweedse Vattenfall zette alweer een nieuw prijsrecord in de bouw van windparken op zee, door de aanbesteding voor een park van 350 MW vlak onder de Deense kust te winnen met een bod van EUR 64/MWh, nog lager dan dat voor Borssele 1 & II. Samen met DONG en negen andere partijen die windparken op zee bouwen tekende Vattenfall vlak voor de vergadering van de Europese Energieraad in Luxemburg op 6 juni een verklaring. Hierin wordt de ambitie uitgesproken om windstroom binnen tien jaar concurrerend te maken met grijze stroom en om voor 2025 de prijs inclusief transmissiekosten te verlagen tot EUR 80/MWh. Dat is nog wel een stukje lager dan de voor Borssele en het Deense windpark overeengekomen prijzen, die nog geen rekening houden met transmissiekosten. Maar deze deals zijn een enorme stap in de goede richting. Volgens Ole Bigum Nielsen, Manager voor Denemarken bij Vattenfall, luidt dit nieuwe prijsniveau voor wind op zee een volgende fase in. Hij noemt het een “game changer”.

Wat zit er achter de drastische kostenverlagingen die zowel DONG als Vattenfall deze zomer wisten te bieden? Het zou gaan om technologische innovaties, maar ook schaalvoordelen die deze reusachtige nutsbedrijven genieten dankzij de grote windcapaciteit die ze al op zee gerealiseerd hebben. Het ligt daarom voor de hand dat deze pioniers favoriet blijven in de komende weken, als ook bekend wordt wie de tweede aanbestedingsronde van Borssele gewonnen heeft. Toch zou het in deze sector, waar het groei- en innovatietempo in de afgelopen vijf jaar onvoorstelbaar hoog is geweest, dwaas zijn om de overige spelers te onderschatten. Hoewel ik dus (voorlopig) mijn geld zet op de koplopers, zijn het de achtervolgers die mij nu het meest intrigeren. Het is slechts een kwestie van tijd voordat een van deze kleinere spelers met een spectaculaire sprint aansluiting zoekt bij de kopgroep. De vraag blijft echter, “Hoe laag kunnen ze zakken?”