Energie Monitor augustus – Olieprijzen dalen verder door overaanbod

door: Hans van Cleef

    • Olieprijs op laagste niveau in maanden nu overaanbod verder toeneemt
    • Verwachting gemiddelde Brent olieprijs 2016 naar beneden bijgesteld
    • Nederlandse economische groei onder druk door verlaging gasproductieplafond Groningen

      Aanbod olie verder opgeschaald…

      De daling van de olieprijs lijkt de afgelopen dagen te versnellen. Momenteel lijkt de markt alleen te focussen op de negatieve factoren. Een overaanbod aan olie kennen we al enige tijd (op twee kwartalen na sinds 2012), maar de afgelopen maanden is dit wel flink toegenomen. Nu blijkt dat Saudi-Arabië en Irak de productie andermaal hebben verhoogd. Daarmee produceert de OPEC bijna 32 miljoen vaten per dag. Dit in plaats van de afgesproken 30 miljoen vaten per dag (= OPEC-quotum), en een benodigde vraag naar OPEC-olie van ongeveer 29 miljoen vaten per dag. En na het sluiten van de Iran-deal met het westen is er potentieel nog veel meer olie in aantocht. Hier komt bij dat de productie in de VS onverminderd lijkt door te stijgen. De daling van het aantal boorinstallaties lijkt inmiddels te zijn gestopt. Dit komt doordat de backlog van diverse olievelden (wel gevonden, maar nog niet in productie) is teruggebracht. Met andere woorden, meer olievelden die al gevonden waren, zijn inmiddels ook in productie genomen. Hierdoor is de speurtocht naar nieuwe velden toegenomen. De vraag is en blijft hoe lang deze bedrijven de financiering voor de zoektocht naar, en de productie van, deze oliebronnen rond kunnen krijgen met de huidige lage olieprijzen. Deze opleving van het aantal boorinstallaties zou gedreven kunnen zijn door de tijdelijke prijsstijging die financiering makkelijker mogelijk maakte.

      … terwijl de vraag naar olie tegenvalt

      Om de prijseffecten goed te verklaren moet het enorme aanbod van olie worden gecombineerd met een tegenvallende vraag vanuit bijvoorbeeld China (Purchasing Managers Index (PMI) al vijf maanden onder de 50), een gelijkblijvende vraag in Europa en slechts licht stijgende vraag in de VS (beide door economisch herstel in combinatie met meer efficiency). Daarnaast is onze verwachting dat de dollar nog flink sterker zal worden ten opzichte van de euro (richting pariteit later dit jaar). De dollar is al sterk geapprecieerd in de afgelopen maanden en dit zorgt voor extra druk op de prijzen van grondstoffen (inclusief olie) die in dollars verhandeld worden. Hierdoor is het moeilijk om enig opwaarts potentieel te zien voor de olieprijzen op de korte termijn. Sterker nog, als het negatieve sentiment aanhoudt – of door nieuwe data zelfs wordt versterkt – kan de prijs nog verder dalen. Een test van de lage prijzen in januari is daarom zeker niet uit te sluiten. Hieruit blijkt dat de marktwerking (focus op negatieve factoren) momenteel dus goed is. Toch houden we vast aan onze visie van een gemiddelde olieprijs van USD 60/vat voor Brent-olie in 2015 (tabel 1), en USD 60/vat bij de jaar- ultimo. Voor WTI verwachten wij een prijs die USD 5/vat lager ligt. Voor volgend jaar hebben we onze prijsverwachting wel naar beneden bijgesteld. We denken nog steeds dat in de loop van 2016 de markt meer in balans komt (met een afname van het overaanbod, vooral door iets meer vraag en een minder sterke dollar). Toch blijft het aanbod groter dan verwacht nu de OPEC ruim boven de benodigde hoeveelheid produceert, en ook de olieproductie in de VS langer hoger blijft dan verwacht. Deze balans zal dan ook eerder in de tweede helft van het jaar gezocht moeten worden dan daarvoor. We verwachten een gemiddelde Brent-olieprijs van USD 65/vat in 2016, en USD 60/vat voor WTI (jaarultimo’s respectievelijk USD 65/vat en USD 60/vat). Ook nu blijven de neerwaartse risico’s aanwezig. De aanpassing van onze ramingen is vooral gebaseerd op het langer aanhouden van overaanbod in combinatie met een aantrekkende vraag naar olie. Maar de risico’s op tegenvallende vraag kunnen we voor het komende jaar niet uitsluiten. We blijven de markt op de voet volgen en zullen onze ramingen nogmaals (neerwaarts) aanpassen zodra dit nodig blijkt.

      Nederland: De gevolgen van lagere aardgaswinning

      De totale gasproductie van Nederland was bijna 75 miljard m3 in 2014. Dit gas werd gewonnen uit velden offshore, van de kleine velden op het continentaal plat en van het Groningengasveld. Om aan alle Nederlandse vraag naar gas (ongeveer 45 miljard m3), en aan de exportverplichtingen (ongeveer 30 miljard m3) te voldoen, zal er onder andere meer gekeken moeten worden naar de import van gas nu de gasproductie van het Groningenveld is verlaagd. Eind juni heeft minister Kamp besloten om het gasproductieplafond voor het Groningenveld voor 2015 te verlagen naar 30 miljard kuub (m3). Deze verlaging was sterker dan verwacht en, zoals ook aangegeven in onze vorige Energie Monitor, heeft een flink aantal consequenties. De verlaging is ingegeven ter bevordering van de veiligheid, en deze productieverlaging zal uiteindelijk dan ook een positief effect hebben op de frequentie en de kracht van aardbevingen. Maar daarnaast zal de verlaging van de gasproductie ook de economische groei negatief beïnvloeden, financiële gevolgen voor de overheid en consument hebben, en zal de importafhankelijkheid van gas toenemen. Een bijkomend voordeel van productieverlaging is wel dat – door een hogere druk – de levensduur van het Groningengasveld wordt verlengd. In de volgende paragrafen nemen we deze ontwikkelingen eens onder de loep.

      Lagere economische groei door lagere gasproductie

      Eerder dit jaar gaf het Central Planbureau (CPB) al aan dat de economische groei in Nederland wordt gedrukt door het besluit om de gasproductie te verlagen. De eerdere verlaging van de gasproductie uit het Groningenveld tot 39,4 miljard m3 zou, volgens het Centraal Planbureau, de groei verlagen met respectievelijk 0,2%-punt en 0,1%-punt in 2015 en 2016. Nu de verlaging van de productie uit het Groningenveld aanzienlijk groter is dan verwacht, zal de invloed op de economische groei ook groter zijn. De verlaging van de gasproductie van 39,4 miljard m3 naar 30 miljard m3 leidt naar verwachting tot een extra drukkend effect op de groei in 2015 van ongeveer 0,3%-punt. Als gevolg hiervan zou je dus kunnen zeggen dat de Nederlandse economische groei in 2015 2,75% had kunnen zijn in plaats van de nu door ABN AMRO verwachte 2,25%.

      Overheidsfinanciën vooralsnog ok, maar voor hoe lang?

      De algemene stelregel is dat 1 miljard m3 minder gasproductie leidt tot 200-220 miljoen euro minder opbrengsten. In vergelijking met 2014 wordt de gasproductie in Groningen teruggebracht van 42,5 miljard m3 naar 30 miljard m3 in 2015 (ongeveer 23 miljard m3 minder dan in 2013). Dit kost de schatkist dus ruwweg 2,5 miljard euro ten opzichte van 2014 en zo’n 4,5 miljard euro ten opzichte van 2013, uitgaande van een gelijkblijvende prijs en gelijkblijvende productie in de kleine velden en offshore. Op dit moment heeft de overheid een minder groot begrotingstekort dan is toegestaan. Dit geeft vooralsnog wat ruimte voor lagere aardgasbaten. Het geeft wel te denken als de baten langer laag blijven. Op een bepaald moment zou dit misschien moeten worden opgevangen door lagere overheidsuitgaven, of hogere inkomsten. Indien men zou kiezen voor het eerste is het lastig om aan te geven waar de overheid op zal bezuinigen. Er is immers geen directe link te leggen tussen huidige aardgasbaten en de overheidsuitgaven. Meer inkomsten ter compensatie van lagere aardgasbaten zouden gegenereerd kunnen worden door een verhoging van de belastingen. Een energiebelasting op gas en elektriciteit bestaat al, maar deze wordt nu (vooral voor gas) door de grotere energieconsumenten (industrie) betaald. Ook de Opslag Duurzame Energie (ODE) zou je kunnen zien als een energiebelasting. Deze opslag is in het leven geroepen om de regeling Stimulering Duurzame Energie (SDE+) te financieren. De totale inkomsten voor de overheid bedroegen 290 miljard euro in 2013 (bron CBS). Hiervan was iets meer dan de helft belastingen, en ruim een derde wettelijke sociale verzekeringspremies (figuur 4). De aardgasbaten bedroegen ruim 5% van het totaal (15 versus 290 miljard euro). Het aandeel van aardgasbaten is daarmee relatief bescheiden ten opzichte van de totale overheidsinkomsten. De invloed van de daling van de aardgasbaten op de totale begroting is daarmee nog kleiner.

      Gevolgen voor de consument tweeledig

      De uiteindelijke gevolgen voor de consument zijn lastig aan te geven. Aan de ene kant lijkt de prijs van gas voor de consument te gaan stijgen. Immers, een vorm van energiebelasting (ter compensatie van lagere aardgasbaten, en/of ter stimulering van het programma duurzame energie van de overheid (SDE+)) leidt tot hogere prijzen. Ook als er gas geïmporteerd moet gaan worden, bestaat het risico dat de prijs hiervoor voor de consument hoger ligt dan voor het in Nederland gewonnen gas. De verschillen in de consumentenprijs voor Nederlands gas ten opzichte van internationale prijzen zijn echter minder groot dan je zou verwachten. De Nederlandse consument krijgt immers geen korting op Nederlands gas. Ook een hogere prijs voor CO2-emissierechten zou kunnen leiden tot hogere gasprijzen voor de consument. Recentelijk zijn de CO2-emissieprijzen al opgelopen naar EUR 8/ton. Deze lagen in 2013 nog onder de EUR 2,50/ton. Toch zou deze prijs nog flink verder moeten stijgen om een daadwerkelijk effect op de consumptie van fossiele brandstoffen te bewerkstelligen. Mogelijk dat verdere regelgeving hieromtrent volgt uit de vorming van een Europese Energie-Unie, of als de wereldleiders op de komende klimaattop in Parijs verregaande maatregelen willen/durven te nemen. Tot slot is er nog een argument voor hogere consumentenprijzen, vanuit de optiek dat energiebedrijven sterk onder druk staan. Na hoge investeringen in het opwekken van fossiele brandstoffen in de afgelopen jaren worden zij nu geconfronteerd met hoge investeringen in duurzame energiebronnen. Hoge afschrijvingen zijn het gevolg en deze kunnen niet een-op-een aan de consument worden doorberekend. Dit betekent wel dat energiebedrijven niet staan te springen om lagere grondstofprijzen door te berekenen aan de consument, maar deze hogere marges zullen gebruiken om verliezen op afschrijvingen te beperken.

      Aan de andere kant zijn er echter toch ook redenen om aan te nemen dat de gasprijs voor de consument zou kunnen dalen. Immers de prijstrend voor gas is omlaag. Deels komt dit door het overaanbod aan gas, en deels door de koppeling aan de olieprijs. De olieprijzen zijn door overproductie sterk gedaald en dit werkt met een vertraging door in de gasprijzen. Doordat de gasprijzen internationaal onder druk staan leidt dit tot steeds verdere loskoppeling van de olieprijs. Door de schaliegasontwikkeling in de VS zijn de gasprijzen daar erg laag. Door het weer opstarten van enkele kernreactoren in Japan is daar de vraag naar Liquified Natural Gas (LNG) afgenomen waardoor de prijs van LNG ook aanzienlijk is gedaald. Dit en een stijgend aanbod maakt LNG een goed alternatief voor Nederlands gas (figuur 5). Een markt-gestuurde prijs zou momenteel gunstig zijn omdat de internationale, met name Amerikaanse, gasprijzen flink lager zijn. Uiteindelijk zou dit gunstig kunnen zijn op het moment dat Nederland afhankelijker wordt van meer gasimport. Een andere oorzaak van een lagere gasprijs is minder vraag. Doordat kolen nu goedkoper zijn, prefereren elektriciteitsbedrijven kolen boven gas vanuit een economische drijfveer. Hoewel gas wordt gezien als het schoonste alternatief onder de fossiele brandstoffen overheerst vooralsnog het prijsargument. Ook hernieuwbare energie krijgt een steeds grotere rol binnen de energiemix waardoor de vraag naar gas afneemt. Een laatste reden is een stijgende efficiency met betrekking tot het verbruik van gas waardoor de vraag onder druk staat.